Willem Schinkel: origineel maar onleesbaar denker

By 0 Permalink 0

Willem Schinkel

Willem Schinkel is een theoretisch socioloog die de laatste jaren veel bekendheid heeft gekregen vanwege zijn provocerende bijdragen aan het integratiedebat. ‘Integratie’, aldus Schinkel, wordt als een vanzelfsprekend fenomeen gezien. Daarnaast is het een wensbeeld en niet een beschrijving van de huidige situatie. ‘Integratie’ bestaat niet in de realiteit. Net zomin als ‘de samenleving’ bestaat. Integreren in iets dat niet bestaat is onmogelijk. Schinkel bestrijdt met name de concepten die de laatste jaren voortdurend en achteloos opduiken in de discussie over integratie. De samenleving is ook een dergelijk concept. Natuurlijk is er volgens Schinkel sprake van mensen die met elkaar in een maatschappij samen zijn, maar het is geen gesloten systeem. Het is slechts een abstract begrip. In de woorden van Schinkel zelf: ‘Er is een open verzameling sociale relaties die juist niet bijeen gebundeld kunnen worden tot ‘samenleving'[…] Want daarmee wordt samen-leven een gewelddadige activiteit, die bij voorbaat een scheiding trekt binnen het sociale leven.’

Aan de ene kant staan niet-geïntegreerden buitenspel, anderzijds staan ze onderaan de samenleving. Dus toch zitten ze in de samenleving!, alleen op een plaats die ‘ons’ niet bevalt en waar we ons bedreigd voelen. Expatriates die hier werken en hoge functies bekleden en vaak geeneens Nederlands spreken, wordt dat vanwege hun status en positie niet kwalijk genomen. Terwijl zij zich vaak buiten de ‘Nederlandse samenleving’ ophouden en er nauwelijks aan deelnemen. Het label ‘niet-geïntegreerd’ plakt men dus klaarblijkelijk alleen op sommige groepen nieuwkomers.

Schinkel wil aantonen dat verklaringen vanuit ‘cultuur’ geen waardevolle bijdragen leveren aan het debat of in ieder geval niets aantonen wanneer we over integratie spreken. Een culturele achtergrond wordt vaak als verklaring aangehaald waarom een individu niet integreert. Hier spreken we dus over het individu dat zich dient aan te passen. Maar als iemand door een cultuur ‘gecodeerd’ is vanuit een groep, hoe kan hij zich dan individueel niveau hiervan bevrijden? We willen dat mensen zich als individu aanpassen, maar ze zijn zo geworden door een cultuur waar ze als individu niks aan kunnen doen. Cultuur of wat in onze ogen een ‘gebrekkige’ of ‘achterlijke’ cultuur is een hopeloze benadering van het probleem, aldus Schinkel. Daarnaast is schijnbaar ieder andere cultuur dan de Nederlandse cultuur een probleem: het is hun probleem en gaat het om eenzijdige integratie. Bij de moord op Van Gogh sprak men over de moordenaar dat hij niet geïntegreerd was in de samenleving. Blijkbaar was hij totdat hij zijn daad beging, wel geïntegreerd. Zijn alle moordenaars die in de gevangenis zitten, niet geïntegreerd in onze samenleving?

In het integratiedebat spreekt men vaak over de islam en in een adem voegt men toe dat deze religie een bedreiging zou zijn voor de Nederlandse samenleving met haar joods-christelijke humanistische wortels: dit is een grote verworvenheid en moet beschermd worden tegen het gevaar van de islam. Maar, stelt Schinkel, de nadruk op onze wortels is een ideaalbeeld van onszelf dat we achteraf gecreëerd hebben. Nog niet zo lang geleden maakten we ons als koloniale macht schuldig aan misdaden tegen de menselijkheid. De angst voor de islam hebben we in grote mate zelf gecreëerd door nadruk te leggen op het anderszijn van moslims. En hun reactie hierop maakt ons bang, maar het is een reactie die we zelf uitgelokt hebben, aldus Schinkel. De religie is voor hen nu een toevluchtsoord en is daarom een ijkpunt geworden in hun leven. Doordat wij ze ‘terugwerpen’ op hun anderszijn, houden zij zich hieraan veel sterker vast. Bovendien, aldus Schinkel, zijn de huidige generatie machthebbers in Nederland in hoge mate geseculariseerd en zien zij dat als vooruitgang. Vanuit die gedachte wordt de beleving van religie vaak gezien als ‘ouderwets’ of ‘afwijkend’ en komt men gauw tot het vooroordeel dat de meerderheid van de moslimvrouwen thuiszit en onderdrukt wordt. Het feit dat religie grensoverschrijdend is, draagt bij aan de angst: dit moet zo veel mogelijk buiten de deur gehouden worden.

Maar ontkent Schinkel dan alle problemen die rond integratie bestaan? Is het überhaupt een thema? Natuurlijk, zegt Schinkel, zijn er grote en dringende problemen. Maar Schinkel vindt dat wij de problemen verkeerd formuleren door mensen die anders zijn te definiëren als buitenstaanders. Ze behoren net zo zeer tot de samenleving als alle anderen. De werkelijke problemen, zoals economische ongelijkheid, veegt men onder het tafelkleed. Volgens Schinkel ontneemt deze visie wethouders in de grote steden de mogelijkheid effectieve maatregelen te treffen. De ‘depolitisering’ en nadruk op economie, aldus Schinkel, heeft onze aandacht afgeleid van de werkelijke problemen en vermindert de opties die beleidsmakers hebben. De nadruk op begroting en financiën blokkeert het denken in andere oplossingen. Omdat we zuchten onder het primaat van de economie en niet meer idealen formuleren, kunnen we geen andere oplossingen bedenken. Het overheersende neoliberalisme ziet politiek louter als een middel om de ergste uitspattingen van de kapitalistische economie in bedwang te houden.

Politiek, in de visie van Schinkel, moet gaan over solidariteit en rechtvaardigheid. Over grote thema’s. De nadruk op bezuinigingen die we nu al verschillende decennia kennen, ontneemt ons de politieke vrijheid keuzes te maken, ook wanneer zij tegen economische belangen ingaan. Wie zegt ‘we moeten nu eenmaal bezuinigen’, beroept zich op noodzakelijkheid en hoeft geen verantwoording af te leggen en zijn politieke keuzes toe te lichten. Dat is een grote bedreiging voor de de democratie. Immers, het ‘is duidelijk’ wat er moet gebeuren, het kan niet anders: we mogen niet meer dan 3% tekort hebben op de begroting, dat moet gehandhaafd worden, wie dat betwijfelt, ‘begrijpt het niet’. En daarmee verdwijnt alle politieke keuze en inbreng van anderen: die is als het ware niet meer nodig. Het verdwijnen van idealen uit de politiek is een belangrijke reden voor de ogenschijnlijke onvrede in Nederland. Ik betwijfel zelf ernstig of de onvrede in Nederland wel zo groot is als wordt gesuggereerd. Dat mensen niet meer door hun afkomst, klasse of ouders laten bepalen op wie zij stemmen, dat lijkt mij juist een grote vooruitgang, een teken van ware democratie. En het wantrouwen tegen de politiek dan? Gelukkig zijn veel mensen wantrouwig tegenover de politiek. We moeten instituties van macht altijd wantrouwen en observeren. Wantrouwen is een voorwaarde voor democratie, en niet een bedreiging ervoor.

De bestuurlijke mentaliteit en overheersing van economische doelstellingen in het politieke debat leidt volgens Schinkel tot in zijn ogen gevaarlijke ontwikkeling: de staat trekt zich steeds verder terug uit de economie en concentreert zich meer en meer op zijn ordehandhavende taak. Hij legt nu nadruk op het controleren van morele grenzen, zoals opvoeding, en het bewaken van de territoriale grenzen, juist nu zijn invloed op het maatschappelijke leven afneemt. Recht gaat traditioneel over het streven naar rechtvaardigheid, maar door de nadruk op orde, wordt het recht ondergeschikt gemaakt aan ordehandhaving en raakt rechtvaardigheid als doel op de achtergrond. De rechter dient zich te bedienen van minimumstraffen en moet zwaarder straffen, in plaats van op te treden als onpartijdige arbiter en zaken zorgvuldig te wegen. Schinkel constateert een verschuiving in de publieke ruimte van rechtvaardigheid naar veiligheid en preventie. We zijn bezig uit te vogelen wat mensen bezighoudt en wat ze van plan zijn en niet wat ze daadwerkelijk doen. Schinkel verwijst naar de uitspraak ‘ de politie is altijd te laat”. Natuurlijk is zij te laat, de politie komt pas nadat iets gebeurd is. Nu lijken we op iedere hoek een agent te willen om maar te voorkomen dat iets gebeurt, maar dat zou een ernstige inbreuk op onze privacy en vrijheid betekenen. Deze verschuiving is in de optiek van Schinkel een ernstige bedreiging voor de rechtsstaat en burgerlijke vrijheden. Veiligheid is een obsessie geworden en verdringt daardoor onze rechten als burger. In onze waan rechten te beschermen zijn we hard op weg deze af te breken.

Ik heb bewondering voor de mening van Schinkel en de felle wijze waarop hij zijn standpunten uitdraagt. En ik deel veel zijn standpunten. Maar ik hoor hem liever in interviews of op televisie dan dat ik zijn boeken lees: die vind ik grotendeels onleesbaar. Natuurlijk komt dat deels doordat ik zijn redeneringen niet kan volgen en Schinkel uiterst abstract formuleert in zijn boeken. Ik heb geen enkele kennis van theoretische sociologie en begrijp het gewoon vaak niet. Maar hij claimt andere kanten op te willen gaan en wil de geijkte en afgesleten concepten in het integratiedebat onderuit halen. In zijn boeken echter gebruikt hij de concepten van de mensen die hij wil bekritiseren, weliswaar vaak tussen aanhalingsteken en in ironische zin, maar vervangen doet Schinkel ze niet door eigen concepten. En als hij dan wel een nieuw begrip introduceert, bekruipt mij vaak het gevoel dat hij louter zijn eruditie en belezenheid wil tonen. Als een soort ‘Nederlandse Heidegger’ die allerlei nieuw begrippen introduceert en zegt: kijk mij eens…Zijn boeken ontaarden wat mij betreft dan in onleesbaar jargon en opzettelijke theoretische duisterheid. Hij is een hoogst interessante denker, maar als schrijver is hij nauwelijks te pruimen.

 

 

 

 

 

 

0

No Comments Yet.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Translate »
%d bloggers liken dit: