Michel Foucault: macht bepaalt wat kennis is

By 0 Permalink 0

Michel Foucault

‘Kennis is macht’ is een algemeen aanvaarde opvatting. Iedereen zal onderschrijven dat bijvoorbeeld een betere opleiding mensen meer kansen verschaft en uitzicht op een beter en gezonder leven. En mensen met een hogere opleiding weten meer, kunnen bovendien beter van hun kennis gebruiken en deze kennis in een kader plaatsen. Kennis is weten van dingen die waar zijn. Maar wat is waar? En waarom geldt een waarheid altijd? Waarheid wordt algemeen voorgesteld als eeuwig en altijd geldig.

De Franse filosoof Michel Foucault, die zichzelf eerder zag als historicus, laat echter in zijn werk zien dat ‘waarheid’ en wat wij als waar beschouwen, aan tijd en onze opvattingen over kennis gebonden is. Waarheden staan dus niet vast, zij zijn ‘kneedbaar’ en aan verandering onderhevig. Foucault toont aan dat het vaststellen van waarheid in vele gevallen verbonden is aan macht. Het is macht wat waar is vast te stellen en vervolgens te verankeren in de bestaande samenleving. De mensen die de waarheid creëren en vaststellen, kunnen dat omdat zij in maatschappelijke posities verkeren die hen deze macht geven. We spreken hier niet over een dictatuur of over het opdringen van een ideologie aan mensen. Foucault zegt niet dat onze kennis ‘niet klopt’ of gewoon zo geformuleerd is om de doeleinden en belangen van bepaalde groepen te dienen. Kennis is niet een waardevrij begrip slechts afhankelijk van de grillen van de machthebbers. Uiteraard is er sprake van wetenschappelijke vooruitgang en heeft de wetenschap veel feitelijke en meetbare kennis opgeleverd.  Maar betekenis geven aan kennis, hangt samen met opvattingen over wie wij als mensen zijn, hoe wij kennis vergaren en met de bestaande machtsstructuren.

In zijn eerste belangrijke studie De geschiedenis van de waanzin in de klassieke tijd beschrijft Foucault hoe onze opvattingen over een schijnbaar onwrikbaar verschijnsel door de tijd heen veranderen. Wij zijn er zo aan gewend te denken dat geesteszieken niet kunnen functioneren in onze maatschappij en therapie nodig hebben. Daartoe moeten zij vaak in klinieken of psychiatrische instellingen geplaatst worden.  En wij zien dat als een weg naar hun herstel of aanpassing die ervoor zorgt dat zij min of meer binnen de bestaande maatschappelijke verbanden kunnen leven. Hen verwijderen uit het maatschappelijk leven, het isoleren, is dus een positieve stap. En binnen de inrichting bekommert een leger van dokters, psychiaters en andere zorgverleners zich om hun welzijn en genezing. Maar in de Middeleeuwen, aldus Foucault, leefden waanzinnigen temidden van de mensen en werden zij gezien als mensen die prikkels en emoties anders beleefden. Zij konden ook tot verrassende inzichten komen of zelfs als visionairen beschouwd worden. Zij werden niet gescheiden van de samenleving en zelfs soms gewaardeerd om hun ‘anders-zijn’.  De Middeleeuwen zien wij vaak als een barbaarse tijd waar weinig ruimte was voor afwijkende meningen of levenswijzen. Foucault toont aan in De geschiedenis van de waanzin dat onze denkbeelden niet vanzelfsprekend ‘beter’ zijn dan in het verleden en we ons altijd moeten afvragen of veranderingen tot verbeteringen leiden. Bovendien is de geschiedenis voor Foucault een grote bron van inspiratie en ideeën die juist dingen in onze tijd kunnen verbeteren.

Foucault onderzoekt waarom de zoektocht naar waarheid zo belangrijk voor ons is geworden en welke denksystemen macht over ons uitoefenen. In dat kader spreekt hij over ‘epistèmès, hetgeen ‘kennis’ betekent in het Grieks en staat voor hoe wij tot kennis komen. In een analyse van de geschiedenis komt Foucault tot drie ‘epistèmès. Tijdens de Renaissance bevrijdt de mens zich van de greep van de Kerk, maar blijft het beeld bestaan van harmonie met de werkelijkheid die door God gegeven is. Foucault noemt dit ‘gelijkenis’: wij kennen de wereld omdat ons kennen en de wereld op elkaar lijken. De ideeën en voorstellingen die wij hebben, staan in een identieke verhouding tot de dingen om ons heen. In de achttiende en negentiende eeuw komt het menselijk denkvermogen centraal te staan en hoe wij de werkelijkheid in ideeën en voorstellingen omzetten. De directe werkelijkheid telt niet meer, het gaat erom hoe zij in ons denken wordt omgevormd. Ons brein maakt een representatie van de werkelijkheid, die de directe gelijkenis vervangt.

Las Meninas van Diego Velázquez met de schilder zelf op de achtergrond

In de moderne tijd, vanaf laat negentiende eeuw, doemt een veel complexer mensbeeld op, aldus Foucault, en gaat het derde epistèmè vormen. In het openingshoofdstuk geeft Foucault een exemplarisch voorbeeld van dit centraal stellen van de mens, het schilderij Las Meninas van de Spaanse schilder Diego Velázquez (1656). De schilder schildert zichzelf in zijn schilderij, terwijl hij bezig is het te vervaardigen. Dit symboliseert het ontstaan van het humanistische mensbeeld: de mens als subject en object tegelijk. Enerzijds staat de mens steeds meer centraal in de werkelijkheid en ziet de mens zich nadrukkelijk geconfronteerd met zijn eindigheid. De mens is steeds meer subject van de geschiedenis. Maar anderzijds wil de mens zichzelf als object onderzoeken. Foucault zegt dat het denken nu niet meer gaat over wat wij denken, maar verschuift naar de vraag hoe wij denken. De Franse denker verwijst naar Kant, die hij voor dit scharnierpunt in de geschiedenis van het denken als de verantwoordelijke ziet. Met Kant staat niet langer de kennis zelf centraal, maar de mens met zijn kenvermogens. De zoektocht naar kennis en waarheid, volgens Foucault centraal in de westerse cultuur sinds de Griekse oudheid, wordt introspectief: hoe wij kunnen weten en in welke mate. Het is goed mogelijk dat onze kennis slechts berust op de kennis die onze kenvermogens van ons hebben.

De drie epistèmès vormen de grondslag van het humanistisch mensbeeld in zijn pogingen de mens centraal te stellen en leiden tot de ‘subjectsfilosofie’. Foucault wil het onderzoek verleggen naar reflectie op onze pogingen de waarheid te vinden. Vanaf nu moeten we ons afvragen waarom we naar de waarheid zoeken. In tegenstelling tot de subjectsfilosofie en het existentialisme van onder anderen Sartre, die de mens de kans willen geven het absurde bestaan te ontvluchten door de volledige vrijheid te zoeken in grenssituaties zoals de strijd, oorlog, ziekte en revolutie, ontkent Foucault dat de mens subject van de geschiedenis is. In zijn visie, die gedeeld wordt door Lacan en Derrida, andere invloedrijke Franse filosofen, is de individuele mens geen basis voor filosofisch denken. Dat mensen de waarheid in pacht zouden hebben of via de wetenschap deze kunnen achterhalen, vindt Foucault een schromelijke overschatting van het feit dat wij kunnen denken. Foucaults doel is het de drie epistèmès te ‘deconstrueren’ en te ontrafelen. Foucault eindigt De woorden en de dingen, het boek waarmee hij doorbreekt als invloedrijk denker, met de beroemd geworden, maar fel omstreden passage:

‘De archeologie van ons denken toont eenvoudig aan dat de mens een uitvinding van recente datum is. En mogelijk ook dat zijn einde nabij is. Als deze disposities zouden verdwijnen zoals ze zijn verschenen, als ze zouden omslaan door een of andere gebeurtenis waarvan we hoogstens de mogelijkheid kunnen vermoeden, maar waarvan we voorlopig niet de vorm of de belofte kennen (…), dan zouden we er zeker van kunnen zijn dat de mens zal verdwijnen, als een gezicht in het zand op de vloedlijn van de zee.’

Foucault kondigt natuurlijk niet het einde van de mens aan, maar betoogt slechts het einde van het dominante humanistische denkbeeld en als dit gebeurt, verdwijnt daarmee de mens zoals wij hem kennen.  Het humanisme heeft de moderne mens zoals wij hem kennen, ‘uitgevonden’. Wat Foucault bestrijdt, is de aanname dat het zoeken naar waarheid kennis oplevert die ware uitspraken doet over een object, in dit geval de mens.  De taal speelt hierbij een beslissende rol. Onze woorden kunnen niet eenduidig en ondubbelzinnig uitdrukken hoe de dingen en de werkelijkheid in elkaar steken. Als ik ware uitspraken wil doen over mijzelf, dan verval ik altijd in interpretatie, aldus Foucault. De mens staat tussen de woorden en de dingen en de menswetenschappen hebben de illusie gevoed dat wij deze tot eenheid kunnen brengen. In de onzekere ‘ruimte tussen de woorden en de dingen’ blijft de mens verdwaald, ondanks alle ambities de waarheid te vorsen. In zijn pogingen steeds centraler komen te staan, raakt de mens steeds verder weg van het centrum. We kunnen alleen maar pogen vast te stellen, zo zegt Foucault, wat de grenzen van het menselijk weten zijn en dat zal de toekomst van de mens, het mensbeeld en de menswetenschappen bepalen.

Foucault ontkent radicaal alle eenheid in denken en taal. De woorden en de dingen past heel goed in het filosofische tijdsbeeld dat door de Amerikaanse filosoof Richard Rorty is omschreven als ‘the linguistic turn’: ingeleid door Wittgenstein zoeken steeds meer filosofen sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw naar het verband tussen taal, teksten en de werkelijkheid.  Wat betreft het humanisme borduurt Foucault voort op Nietzsche die stelt dat humanisme een ‘universele machtsdrift’ is. De wil tot waarheid is de wil tot macht die de ‘redelijke’ mens de legitimatie verschaft zijn medemens op te sluiten in gestichten omdat de laatste ‘abnormaal’ zou zijn. Nietzsche had al aangetoond dat de wortels van het humanisme oorspronkelijk intolerant en wreed zijn en erop gericht de mens te beteugelen en ‘handelbaar’ te maken.

Foucault concentreert zich na De woorden en de dingen in toenemende mate op wat macht inhoudt. Politieke filosofen hebben tot dusver beargumenteerd dat macht een essentie kent, in handen van een bestaande organisatie is of concreet waarneembaar. Vaak wordt in dat verband de staat genoemd. De Duitse socioloog Max Weber stelt dat de essentie van staatsmacht het monopolie op het gebruik van fysiek geweld is.   Thomas Hobbes, de Engelse filosoof en oorspronkelijk theoreticus van staatsmacht, beschrijft dat macht in handen is van een oppergezag en dat dit ook zo moet blijven om de vrede in een samenleving te handhaven en burgers tegen elkaar te beschermen.  Foucault ziet deze redeneringen, hoe waardevol en eloquent ze ook zijn, als voorbeelden van ‘eenheidsdenken’ en wil aantonen dat macht in allerlei ‘onzichtbare’ en veel subtielere gedaanten voorkomt. Zij bestaat niet uit een geheel, heeft geen kern of een enkele aanwijsbare drager ervan. Was het uitoefenen van macht in de klassieke tijd vooral fysiek en gericht op overheersing, nu wordt zij gebruikt voor disciplinering en normalisering voor maatschappelijke doeleinden. Het instrumentarium van deze macht is fijnmazig en wijdvertakt.

Foucault verwijst in dit verband naar de Engelse utilitarist Jeremy Bentham, die een ideale gevangenis wilde ontwerpen: het panopticon. Door asymmetrische zichtbaarheid toe te passen, kan de gevangenisbewaarder altijd de gevangene observeren, maar wordt hij zelf niet gezien. Het panopticon is een ringvorming gebouw met een toren in het midden en in de ring cellen die elk een gevangene. Elke cel heeft een klein raam waar het licht doorheen valt en een groot raam waardoor de bewaker kan kijken. Op elk willekeurig moment kan de gevangene gezien worden. Voor Foucault is het panopticon van Bentham het zinnebeeld van hoe macht in onze tijd werkt: zij wordt ingezet om te disciplineren en dociel gedrag af te dwingen. Gevangenisstraf was in de klassieke tijd vooral uitsluiting, in onze tijd zijn het instituties om gedrag te corrigeren en gewenst gedrag te ‘aan te leren’. De suggestie dat hij bekeken wordt, is voldoende voor de gevangene zijn gedrag aan te passen. Macht wordt niet langer fysiek uitgeoefend, maar is door de gevangene geïnternaliseerd: de toestand van bewust en permanent toezicht houdt hem in toom en feitelijke machtsuitoefening, in de vorm van fysiek geweld, is niet meer nodig. Macht is nu onzichtbaar, onpersoonlijk en functioneert automatisch.

Bentham zag zijn model ook geschikt voor de inrichting van andere gebouwen en inrichtingen, zoals de fabriekshal, kazernes, psychiatrische instellingen, het klaslokaal en de kliniek. Deze ruimtes delen de eigenschappen van het panopticon: het zijn alle ruimten voor onophoudelijke observatie, objectivering, correctie en onmiddellijk herkenning. De mensen die zich in deze ruimten bevinden, worden ‘kwantificeerbaar’ en hun activiteiten meetbaar. Er treedt een classificatie op van de vormen van menselijk gedrag en dat gedrag wordt minutieus in kaart gebracht.  Alle activiteiten en bewegingen kunnen in een oogopslag waargenomen worden en geregistreerd. Foucault wijst op het ontstaan van statistieken. Zij brengen het begrip ‘bevolking’ voort en leveren een schat aan informatie op die politiek gebruikt kunnen worden om maatschappelijke en economische processen te manipuleren en te sturen. Maatschappelijke ontwikkelingen en sociale fenomenen treden uit de duisternis door statistieken en worden meetbaar. Er ontstaat wat Foucault noemt de ‘disciplinemaatschappij’. De disciplinering streeft onder andere hogere productie, effectievere arbeidsdeling en betere gezondheidszorg na. Door de bevolking in kaart te brengen, verliest het gezin, aldus Foucault, aan betekenis. Het is nu vooral een plaats waar disciplinering plaatsvindt op het gebied van bijvoorbeeld seksualiteit en niet langer een model voor de samenleving.

Volgens Foucault is de ‘panoptische leer’ een procedure om te kennen, te overmeesteren, te gebruiken en schept de discipline een analytische ruimte waar het menselijk gedrag voortdurend geobserveerd wordt. De chaotische, onproductieve en gevaarlijke massa verandert in een geordend en efficiënt ‘lichaam’ dat de gewenste economische en sociale activiteiten ontplooit. We treden een tijdperk binnen van permanent onderzoek en dwingende objectivering. De discipline produceert de beheersbare, de kenbare en berekenbare (en dus statistische) mens: het moderne subject als kennend subject en te kennen subject van de menswetenschappen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0

No Comments Yet.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Translate »
%d bloggers liken dit: