Richard Rorty: het wezen van de mens bestaat niet, er bestaat slechts de mens

By 0 Permalink 0

Richard Rorty

In 1998 beschrijft de Amerikaanse filosoof Richard Rorty in  Achieving Our Country wat de mogelijke gevolgen zijn wanneer links Amerika zich te veel bezighoudt met identiteit, geslacht en huidskleur, en niet met klasse. Weliswaar is Rorty enthousiast over wat er bereikt is op het terrein van identiteit en ras en prijst hij wat er gebeurt in de universiteiten van Amerika, waar nu de vernedering en achterstelling van generaties van migranten, gekleurden en vrouwen eindelijk teniet wordt gedaan.  Maar de academische elite spant zich nu nog louter in voor het uitbannen van achterstanden bij deze sociale groepen en heeft niet langer oog voor achterstelden op het gebied van klasse. Deze elite voelt zich niet langer solidair met mensen in achterstandsposities, die niet uit migratie, geslacht of huidskleur voortkomen. Dit zijn overwegende blanke mannen uit de plattelandsregio’s van Amerika. Dan roept Rorty een beeld op dat grote profetische waarde blijkt te hebben.

Hij voorziet een situatie waarin mensen uit de lagere klassen zich zullen realiseren dat de machthebbers en de regering zich niet langer bekommeren om hen en dit zelfs niet langer maskeren achter mooie beloftes. Vakbondsleden en vakbonden, die groep benoemt Rorty in het bijzonder, zullen zich afwenden van de bestaande politiek en politieke leiders en op zoek gaan naar een alternatief. Zij zien hun lonen verder dalen en hun banen naar het buitenland verdwijnen. Bovendien ervaren zij dat de stedelijke middenklasse geenszins bereid is, bang als zij zelf is inkomen en baan te verliezen, belasting te betalen om hen te hulp te schieten. De solidariteit brokkelt verder af. De lager opgeleide blanke man van het platteland zal stemmen op een kandidaat die belooft ‘af te rekenen’ met de gierige politici, de sluwe advocaten, de overbetaalde, bedriegende handelaren in aandelen, de bankiers en de elitaire universiteitsprofessoren, die zich geen klap aantrekken van het lot van de gewone man.

Het is verleidelijk te zeggen dat Rorty, die overlijdt in 2007, de opkomst van Trump voorzag en een dergelijke conclusie is een geval van graag iets willen lezen in de woorden van iemand die beschrijft hoe links-liberaal Amerika faalt een alternatief te bedenken voor het neoliberalisme en het ‘einde van de geschiedenis’. Velen hebben betoogd, waaronder Willem Schinkel, de Rotterdamse socioloog, dat Trump juist een product is van de bestaande Amerikaanse politieke verhoudingen en geen breuk daarmee. Rorty toont dat links-liberaal Amerika de traditionele nadruk op sociale rechtvaardigheid heeft ingeruild voor het aandacht geven aan achterstelling op het gebied van identiteit, geslacht en huidskleur.

De academische elite in Amerika is huiverig trots te zijn op het eigen land. Volgens Rorty is patriottisme hetzelfde voor een samenleving als zelfvertrouwen voor het individu. Het is een noodzakelijke voorwaarde om tot verbeteringen te komen, zowel op sociaal terrein, alsmede in het persoonlijke leven. Links-liberaal Amerika heeft veel bereikt door de nadruk op de problematiek die speelt rondom identiteit, geslacht en huidskleur en daardoor is Amerika nu in veel opzichten een beter land. Deze ‘politiek-correcte’ benadering, zoals neoconservatief Amerika graag deze thema’s typeert, heeft Amerika veel goeds bezorgd, maar links-liberaal Amerika heeft geen oog meer voor sociaaleconomische achterstanden, aldus Rorty. Het democratische optimisme en ‘creatief patriottisme’ van denkers als Walt Whitman en John Dewey is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor een angstig en ‘emotieloos’ denken.

Rorty verwijt links een bijna obsessief geloof in een ‘wetenschappelijke’ benadering. De marxistische nadruk op wetenschap en technologie keert terug in het werk van denkers als Michel Foucault, die juist betogen afstand te hebben genomen hiervan. Foucault, van wie Rorty een grote maar kritische bewonderaar is, ziet kennis als de resultante van specifieke historische omstandigheden en niet als vaststaand en altijd geldig. Bovendien bepalen de machthebbers en macht wat kennis is. Door macht zo centraal te stellen, doet Foucault wat Rorty wil bestrijden. Foucault stelt dat macht kan worden beschreven als los van de realiteit, in taal die objectief weergeeft wat macht is. Dit sluit aan bij utopische denkers sinds Marx, die achter de realiteit zoeken naar ‘principes’ die verklaren hoe de werkelijkheid in elkaar steekt. Door een wetenschappelijk benadering kunnen deze principes ontdekt worden en ontvouwt zich het ‘doel’ van de wereld en het bestaan aan ons.

Michel Foucault

Rorty juicht toe dat Foucault stelt dat menselijke ideeën, kennis en macht ‘contingent’ zijn: ze zijn bepaald door de historische omstandigheden waarin we zijn opgegroeid. Hadden we een andere achtergrond gehad of andere dingen meegemaakt, dan waren ons wereldbeeld en onze ideeën ook anders geweest. Maar nu haalt Foucault het begrip ‘macht’ eruit en suggereert ten minste dat dit losstaat van de specifieke omstandigheden. ‘Macht’ is dus volgens Foucault een principe achter de werkelijkheid en deze principes kunnen we volgens Rorty juist niet vaststellen noch ontdekken. Het is ook niet nodig deze uitgangspunten te ontdekken. Door de aandacht voor macht en hoe zij zich in de moderne maatschappij manifesteert, lijkt Foucault zich aan te sluiten bij Nietzsche door te zeggen dat machtsstructuren onze inherente wreedheid blootleggen. Rorty verwijt deze denkers dat zij op deze wijze een open democratische discussie over hoe de maatschappij in te richten, onmogelijk maken. We kunnen de zin en vormgeving van een maatschappij niet terugvoeren op een en allesbepalend principe.

Maar waar staat Rorty dan? Aanvankelijk houdt Rorty zich bezig met de analytische filosofie die door analyse van taal en teksten tracht de structuur van de wereld bloot te leggen. Rorty gelooft in deze fase dat het menselijk bewustzijn en de realiteit apart tegenover elkaar staan en dat de werkelijkheid in ons bewustzijn ‘gespiegeld’ wordt. Daarmee staat hij de filosofische traditie van Plato, die stelt dat wij zien en de voorstellingen die wij ons maken, slechts een afspiegeling zijn van objecten die in de werkelijkheid voorkomen. Kant gaat verder hierin door te zeggen dat sommige kennis niet af te leiden is uit onze waarneming, maar toch met zekerheid bestaat. Deze beide grote denkers zeggen volgens Rorty dat de mens, de werkelijkheid en het bewustzijn aparte objecten zijn en zodoende los van elkaar bestudeerd kunnen worden. Natuurlijk zegt Kant dat ons bewustzijn de wereld structureert en dat er buiten dat geen realiteit bestaat, maar ook Kant gelooft in vaststaande principes die deze structurering mogelijk maken.

Rorty stelt dat het niet mogelijk is hen als aparte objecten te zien. Zij vallen met elkaar samen en elke beschrijving van de werkelijkheid is een persoonlijke beschrijving die voor het individu zelf, en alleen voor hem, verklaart hoe de wereld in elkaar zit. Er vallen geen algemene uitgangspunten uit af te leiden, er is geen objectieve wetenschappelijke taal die beschrijft wat er gebeurt in de realiteit. Waarheid is wat wij als mooie en nuttige beschrijvingen beschouwen.

Voor Rorty zijn vrijheid en rechtvaardigheid altijd een product van menselijk denken en niet universele objectieve concepten. Noch kunnen zij dat ooit worden. Er is niets hogers dan de mens zelf, de mens is maat van alle dingen. En dat is een geruststellende gedachte, omdat de mens aan geen enkele hogere instantie verantwoording schuldig is. Wij mensen dienen er slechts voor te zorgen dat andere mensen geen onrecht of wreedheid wordt aangedaan. Er bestaat geen enkel ‘hoger doel’ dat dit zou kunnen rechtvaardigen. En andere mensen beschadigen is het ergste wat we kunnen, er bestaat immers niets hogers dan de mens. Rorty verwoordt daarmee het gedachtegoed van het sociaalliberalisme. De overheid moet mensen veiligheid bieden en ervoor zorgen dat mensen niet wreed zijn tegenover anderen, daarmee zijn volgens Rorty de essentialia van politieke filosofie wel opgesomd.

Rorty wantrouwt elke bron van gezag en kennis die buiten de mens ligt. Maar is zijn gedachtegoed niet ‘schraal’, als we niet kunnen aantonen dat het sociaalliberalisme beter en waardevoller is dan andere ideeën over de inrichting van de maatschappij? Volgens Rorty is het voor solidariteit met andere mensen beter wanneer je tegen jezelf kunt zeggen dat jouw denkbeelden en ideeën niet superieur zijn aan die van anderen. En daarmee wordt voorkomen dat we andere mensen minachten en pijn doen, omdat we geen hoger doel voor ogen hebben. Rorty typeert zijn houding als ironisch en los tegenover de ernst waarmee filosofen vroeger hun theorieën en systemen uitdroegen. Rechtvaardigheid ziet Rorty als loyaliteit, maar dan op grotere schaal. En rationaliteit, zo sterk naar voren gebracht door de Verlichting, betekent volgens Rorty gewoon dat je met rationele mensen een goed gesprek kunt voeren. Deze liberale houding maakt het mogelijk alle mensen te respecteren en de democratie levendig te houden, juist omdat er met elkaar concurrerende ideeën bestaan. Dat zorgt voor een evenwichtige en toch dynamische samenleving.

Maar als mensen niet ervan overtuigd zijn dat ze vechten voor een goede zaak, ondermijnt dat niet juist het democratische bestel, als niet objectief kan worden vastgesteld dat sociaalliberalisme voor een betere samenleving zorgt? En maakt Rorty zich niet schuldig aan relativisme of zelfs onverschilligheid? Het lijkt erop dat het Rorty om het even is of we leven in een democratie of onder het juk van een dictatuur, immers, we hebben geen objectieve criteria om vast te stellen welke van de twee beter is. Rorty antwoordt daarop dat wanneer we uitgaan van de volledige gelijkheid van de ideeën van mensen, zij juist grote solidariteit met elkaar zullen voelen en elkaar niet wreedaardig zullen benaderen. Bovendien zorgt de vrije uitwisseling van ideeën ervoor dat voor elk politiek of maatschappelijk probleem dat zich voordoet, een ruime keuze van oplossingen bestaat. Omdat er geen God of ander hoger doel op het spel staat, zullen politieke oplossingen concreet en uitvoerbaar zijn en zullen er altijd meer beleidsopties bestaan.

De filosofie heeft volgens Rorty niet meer te zeggen over de wereld en de werkelijkheid dan andere ‘vocabulaires’. Zij vertelt verhalen net zozeer als romanschrijvers dat doen en wat filosofen over de wereld zeggen, is vaak prachtig, maar ook zij kunnen niet destilleren uit de werkelijkheid waarover zij gaat en waarheen zij leidt. Dat is eenvoudigweg niet vast te stellen. Interessant genoeg vindt Rorty daarvoor aanwijzingen bij een van de ontwerpers van het grootst denkbare filosofische wereldsysteem: Hegel. Volgens Rorty verlegt Hegel de discussie over hoe de wereld in elkaar zit naar de vraag hoe het zou moeten zijn. Hegel ziet de menselijke ontwikkeling in het licht van een historisch proces, en niet langer gebaseerd op de idee dat de mens verlost wordt door het bereiken van een metafysisch doel. Hegel is in dat opzicht een ‘protopragmaticus’, die de geestelijke verheffing van de mens plaatst in zijn eigen realiteit en hem in staat ziet dit met zijn eigen middelen te verwezenlijken. Niet langer is er een koppeling aan een ‘opperwezen’ of een bovenmenselijk verschijnsel.

Georg Wilhelm Friedrich Hegel

 

De volgende stap doet Darwin. Zijn evolutieleer heeft grote invloed op Rorty. Darwin toont aan dat wij mensen zijn ontstaan uit een ‘chemische soep’. De overleving is vaak gebaseerd op toeval of op de ontwikkeling van bepaalde eigenschappen. Taal is er daar een van. Taal is volgens Rorty niet een medium, maar slecht het uitdrukkingsmiddel van gedachten die in ons ontstaan. Het bewustzijn en de gedachte staan niet los van elkaar, zij vallen samen, net zoals de wereld en het woord samenvallen. En zij vallen samen in taal. Net zoals een tennisspeler kiest voor een bepaalde ‘stroke’, zo kiezen wij onze woorden om iets te delen. Daar gaat geen periode van reflectie of ‘knutselen’ aan vooral. Het materiële, het lichaam, produceert klanken en tonen, en de hersenen zetten dat om in woorden. Taal werd op een gegeven moment een noodzakelijke voorwaarde voor het overleven van de menselijke soort en is dus een eigenschap voortgekomen uit evolutie. De mens had taal nodig de uitdagingen waarvoor zijn omgeving hem stelde het hoofd te bieden.

Charles Darwin

Darwin geeft de mensheid, aldus Rorty, niet een definitieve theorie hoe de wereld en het leven in elkaar steken. Natuurlijk wil Darwin dingen verklaren en in zoverre bedient hij zich ook van een ‘vocabulaire’ die samenhang probeert aan te brengen in ons beeld van de wereld om ons heen, maar Rorty zegt dat wij Darwins leer niet zo moeten lezen. Darwin leert ons dat de natuur geen doel heeft en niet over een plan beschikt; de zin van de wereld is er niet. Net zoals het leven ontstaan is uit chemische processen, die makkelijk ook tot iets heel anders hadden kunnen leiden. Als we erkennen dat wij ‘dieren’ zijn, hoeven we ons niet langer zorgen te maken over een hoger gelegen doel van niet-menselijke aard.

Rorty verwijst vaak naar ‘vocabulaires’, de pogingen van filosofen de werkelijkheid samenhangend en waarheidsgetrouw te beschrijven. In die pogingen is vaak sprake van asymmetrische machtsverhoudingen waarbij de filosoof zijn beschrijving baseert op een principe dat uiteindelijk allesbepalend is. En dat principe oefent op de beschrijver van de werkelijkheid een grote invloed uit, heeft hem in zijn macht. Augustinus, Thomas van Aquino, Descartes en Hegel, om er een paar te noemen, staan volgens Rorty in deze traditie. Allen zien zij een hogere waarheid als de bestemming van de mens en hun ‘vocabulaires’ staan in dienst van het bewijzen van deze waarheid. Zelfs de Verlichting, die het verstand en de rede en daarmee ‘onafhankelijk’ denken predikt, onderwerpt zich aan een principe: de wetenschap. Rorty ontleent veel zijn denkbeelden op dit terrein aan Heidegger. Deze laatste spreekt over de ‘ontotheologische traditie’ van de westerse filosofie: er is een grondprincipe dat de werkelijkheid verklaart en de mens bevrijdt uit zijn tijdelijke bestaan. En de zoektocht daarna is de geschiedenis van de westerse filosofie.

Martin Heidegger

Volgens Heidegger is deze geschiedenis in feite een verzameling van metaforen en metafysische grondstellingen over het zijn en goedheid die versteend is geraakt in de westerse filosofische traditie. Alle pogingen iets over het zijn te zeggen, stranden op het feit dat taal noodzakelijkerwijs contingent is en onder invloed staat van de laatste beschrijvingen, ‘vocabulaires’, die over de werkelijkheid geschreven zijn. We willen ontsnappen aan het tijdelijke van het menselijke bestaan door een altijd geldig principe te vinden, maar die zoektocht daarna is gedoemd te mislukken, omdat we niet over ‘tijdloze’ en objectieve taal beschikken de oergrond te vinden. We kunnen ons niet neutraal daarover uitdrukken. We zijn onze woorden, aldus Heidegger, vooruitlopend op Rorty’s uitspraak dat woord en wereld samenvallen. De westerse filosofie heeft lang geloofd dat ‘het goed zou komen’. Volgens Rorty toont Heidegger onweerlegbaar aan dat iedere beschrijving van het zijn slechts een beschrijving is en blijft, hoe mooi en overtuigend ook geformuleerd.

Maar ook Heidegger wil zich dan niet neerleggen bij de conclusie dat pragmatisme en acceptatie van contingentie van het menselijke bestaan de enige mogelijkheden zijn. Hij denkt een neutrale taal te vinden bij de presocratische Griekse denkers, die volgens hem wel in staat waren iets te zeggen over de ware aard van het zijn. Hun denken is volgens Heidegger niet metafysisch en naturalistisch. Bovendien kennen zij nog geen wetenschap.  Hun denken is vrij van machtsrelaties en dit stelt hen in staat neutrale uitspraken te doen over het wezen van de mens. Op basis daarvan spreekt Heidegger over het ‘authentieke Dasein’ van de mens. Rorty is het daarmee oneens en ervan overtuigd dat Heidegger gekozen zou hebben voor het pragmatisme als hij had moeten kiezen tussen platonisme en pragmatisme. Uiteindelijk is ook Heideggers werk te zien als een vocabulaire die weliswaar veel andere ontkracht en ontmaskert, maar niet het verlossende inzicht in ons wezen geeft. En dat is niet erg volgens Rorty, dat inzicht hebben we niet nodig, omdat er niets is om inzicht in te krijgen. Het wezen van de mens bestaat niet, er bestaat slechts de mens.

 

 

 

 

 

0

No Comments Yet.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Translate »
%d bloggers liken dit: