Knut Hamsun; fout maar zo goed

Wat doe je met schrijvers die je mateloos bewondert, maar geen prettige mensen blijken te zijn of ‘foute’ keuzes gemaakt hebben? Deze week Zwervers uitgelezen van de Noorse meester Knut Hamsun. En wederom ben ik onder de indruk van deze man. Hamsun schreef zo’n slordige 80 jaar geleden, maar zijn boeken doen zo modern aan. Niet voor niets dat hij de ‘vader van de post-moderne literatuur” wordt genoemd en grootheden als Thomas Mann, Herman Hesse, Isaac Singer en Ernest Hemingway diepgaand heeft beïnvloed. Hij koppelt het psychologisch inzicht van Dostojevski (Hamsun hield van de Russische literatuur en was groot kenner ervan) en Nietzsche aan de schitterende natuurbeschrijvingen van bijvoorbeeld Boenin. Hamsun is tijdloos.

Zwervers is anders dan zijn grote vernieuwende romans zoals Honger, Mysteriën en  Victoria, in die zin dat hij meer de nadruk legt op de omgeving dan de bijna obsessieve focus op de hoofdpersoon die we kennen uit die eerdere romans. Ook is de stijl ‘epischer’ en volgt Hamsun meer de schrijftrant van zijn grote voorbeelden Tolstoj en Dostojevski en uit eigen land, Björnson. Maar de zoektocht naar onze drijfveren en zijn inzicht in onze beweegredenen worden virtuoos beschreven in een zingende rimpeloze stijl.

Begrijpelijkerwijs is de keuze van hun grootste schrijver voor Nazi-Duitsland in de oorlog voor veel Noren onverteerbaar en kunnen zij de fabuleuze literaire erfenis van de man niet erkennen. Ik vind dat ook heel moeilijk, net zo als bij het Franse enfant terrible, Celine. Maar het werk van Hamsun behoort tot de kroonjuwelen van de Europese literatuur en dient altijd gelezen te blijven worden. Die schoonheid mogen we ons niet ontzeggen.

Joseph Conrad; spiegel voor Europa

Altijd groot voorstander geweest van Europa, maar de laatste tijd krijg ik steeds meer bedenkingen. In Duitsland hebben ze altijd nog Angela Merkel, wat ook over haar gezegd is, het blijft van grote klasse dat ze zich zo duidelijk heeft uitgesproken over het opnemen van vluchtelingen. In Nederland word ik eerlijk gezegd erg treurig over wat politici zeggen…. In Oost-Europa hoor ik ook veel stemmingmakerij, maar dat is allemaal veel beter te begrijpen dan wat hier in West-Europa gebeurt.

Dan maar weer teruggrijpen op literaire helden… Joseph Conrad. Kunnen we nog wat van leren. Van Poolse ouders, geboren in wat nu Oekraïne is (in de buurt van Berdychiv), daarna in Frankrijk gewoond en gewerkt en uiteindelijk in Engeland terechtgekomen. Na Pools en Frans is Engels zijn derde taal en in die taal staat hij nu bekend als een van de grootste vernieuwers en stilisten. Wat mij betreft veel beter dan Nabokov, een schromelijk overschatte schrijver, maar dat laatste zal veel mensen boos maken. We kennen Conrad natuurlijk van ‘Heart of Darkness’, dat later de belangrijkste motieven zou aandragen voor Francis Ford Coppola’s ‘Apocalypse Now’.

Maar ‘Heart of Darkness’ is onverminderd actueel, over de hooghartigheid van de Europese beschaving. Conrads meesterlijk verwoorde aanklacht (zoals Multatuli) tegen het Europese kolonialisme zouden we ons ter harte moeten nemen. Laten we luisteren naar Marlow (Conrads alter ego in het boek) als hij beschrijft hoe we tekort schieten en huiveren bij het beeld van de ontspoorde Kurtz, gevangen in zijn raciale waanideeën. Een hypnotiserende en huiveringwekkende novelle met een onverminderde zeggingskracht.

Is Jenny Erpenbeck een politiek schrijfster?

Zojuist een artikel afgerond over de vooraanstaande Duitse schrijfster Jenny Erpenbeck. Zij schreef in 2015 de roman ”Gehen, ging, gegangen”, over het brisante thema van de vluchtelingenproblematiek. Het boek was lange tijd genomineerd voor een prestigieuze literaire prijs in Duitsland en dat leidde tot vele verhitte discussies of dat gebaseerd was op de literaire merites van het boek of een politiek correcte keuze van de jury. Het boek kreeg de prijs uiteindelijk niet, sommigen zagen juist daarin een politiek correcte keuze. Zoals altijd, beschrijf ik vooral mijn liefde voor het werk van de auteur en wil ik u daarvan deelgenoot maken. Zij is, volgens mij, een groot auteur met een sterke morele ondertoon. Beoordeelt u zelf of dat goed is, leest u vooral haar boeken!

My 7 essential 80s songs

On Facebook, I was recently asked to name my 7 essential 80s songs. I am now publishing all separate articles here in an overview

 

THE CHURCH – UNDER THE MILKY WAY

Quite a challenge indeed…choosing among your children who helped you to become the person you are now. My first choice (there is no order among my ‘seven’, that is really impossible) is ‘Under The Milky Way’ by the Australian ‘alternative’ rock band The Church. it was released, I think, at the beginning of 1988, and I was already a fan of this group.

‘Under The Milky Way’ is the only entrance The Church ever made into the US and European charts. Although quite popular in their native country, they stayed relatively unknown in Europe. Nowadays, they have a very loyal cult following. Although a hit single, the song embodies what I love about this group: crossing melodic guitar lines, creating a dark but vivid atmosphere. Steve Kilbey is not a born singer, but his low, ‘scrapped” baritone suits the tone of the music very well. His lyrics are as always somewhat vague, if not impenetrable. Sagas, myths, legends, biblical references play a huge role in his lyrics and add an epic layer to their already massive sound.
In later years, The Church moved away from a ‘new wave’ (I do not want to start a semantic discussion on terms and how to describe all the different categories) sound to a more progrock orientation. Obviously, as you will learn from my other choices, I prefer the new wave side of the band, but it is a testimony to their talent as musicians and composers that they were able to take new directions.
‘Under The Milky Way’ is taken from the album Starfish, one of favorite all-time albums. Often, a hit single conveys the wrong impression of what a band is really about, but ‘Under The Milky Way’ simply reigns supreme among a collection of excellent songs. It is indeed, as one said, ‘the most beautiful Australian song ever’.

KILLING JOKE – DARKNESS BEFORE DAWN

We continue with our journey through the 80s songbook. Killing Joke, today’s choice, is often associated with the shattered dreams and gloom some felt was the essence of the 80s. Loud agressive new wave guitars and bombastic tribal rhythms, often pushed forward by a punishing bassline. The manic stage performance and singing of frontman Jaz Coleman added to that feeling, he seemed to announce the end of times. He himself once fled to Iceland, waiting for armageddon to come...
It is just pop music, and I never liked the ‘overacting’ of Mr. Coleman and his use of political themes. For me, music and politics do not go together, at least not in the theatrical style of Coleman. But when he concentrates on his singing and uses his charisma to support the tight rhythm section of the band behind him, he is a very powerful and intriguing vocalist.
I love this band for one particular reason: Kevin ‘Geordie’Walker’s guitar playing. He is by no means a shredder or an even technically proficient guitarist, but his phrasing and use of dissonant power chords are simply unsurpassed. And then his tuning…That high-pitched ‘reverberating’ sound makes me shiver to the bone everytime. In all his simplicity, Geordie is an innovative and completely original guitar player. He might be underrated, but still hugely influential to a very wide range of bands and styles. You hear echoes of his playing in all currents of so-called indie rock and metal. 

I could have opted for ‘Love Like Blood’, despite its overexposure a brilliant song. But please listen to this tune, ‘Darkness Before Dawn’, a typical menacing rhythmic Killing Joke piece. Geordie’s fierce riffing and accents take it to an unprecedented intense level.

THE JESUS AND MARY CHAIN – HAPPY WHEN IT RAINS

In part three of our 80s tour I indulge myself in real nostalgia. Today’s band, The Jesus And Mary Chain, was for a few years the band of my teenage life. Their debut album, Psychocandy, with ‘surf’ pop melodies hidden behind a wall of noise, has somehow become a landmark record. It was unanimously well received by the British music press, quite an achievement for a band that, in all honesty, could not play.

William Reid, one of the Reid brothers who formed the group, stated that ‘when you can barely play, you use the guitar in often more interesting things than the ones who can actually play it. The crap we heard on the radio, made us decide to form a band and for instance Einstürzende Neubauten showed us how to create sound. The idea of being in a band was more important than actually playing.”

I seriously doubt whether an ‘intellectual’ group like Einstürzende Neubauten came to mind of a band which signed its record deal in a McDonald’s restaurant, as the Reid brothers later claimed. Whatever their motivation, Psychocandy did sett off new trends like shoegazing and noise and in that sense they significantly contributed to pop music history. And they never really learned to play anyway!

But JAMC was a holy group to me and some of my finest teenage memories are linked to their songs. Darklands was their second album and it was a very conventional record: the noise was gone and what remained, were Beach Boys influenced pop songs with distorted guitars. I guess, to my searching teenage mind, they were the perfect thing to happen: it was loud and melodic and their dark blurred videos suggested that they were really different. So, nothing wrong with it.

Nowadays, I could not tell you where the Reid brothers are. Do they still exist at all? Probably their lack of instrumental prowess finally caught up with them and ended their career. On the other hand, they might have made a whole string of brilliant records, it is possible, they were very talented songwriters.

What is important here, whenever I hear ‘Happy When It Rains’ or ‘Under The April Skies’, it puts a big smile on my face and I feel very happy. And that is what music is all about: emotions and sweet memories. Happy When It Rains’ is my third choice, I just slightly prefer it over ‘Under The April Skies’.

THE CURE – THE DROWNING MAN

In part four of the 80s songbook we turn to a group which put a lot of us on to new wave and alternative music. And I am no exception. At that time they seemed to me as they were coming from another planet, especially at high school parties, where you had to explain again and again who they were. I did not grow up in a school environment where new wave and indie rock (it had another name then) were particular popular. I remember listening to a radio broadcast in which celebrities were asked to play a list of their favorite songs.
In this broadcast, Marcel van Dam, of all people, played a song by the Cure. He explained to the listener that this group was the favorite band of his son. That song was, naturally, ‘A Forest’. It sounds so weird when you are listening to Level 42, UB 40, Duran Duran (had their moments though…) and Spandau Ballet, to name a few….
Who would thought that Marcel van Dam would introduce me to a new world of music…I became a big fan of the Cure. Three records in particular were my favorites: Seventeen Seconds, Faith and Pornography, the ‘holy trinity’ for most fans I would say. And all three I still love until this day. There were long intervals in which I did not listen to them at all, but The Cure is a ‘home’ to which you always return and where you always find comfort.
Robert Smith is without a doubt one of the greatest songwriters in British pop history and his vocals are unique. He is not a brilliant guitar player, but he has produced some of the finest and most memorable guitar lines ever. You immediately recognize the ‘fluid’ chord progression of his playing. Besides, I believe he plays at least 4 different instruments, the man is a huge musical talent. I do not like the later overemphasis on synthesizers and the songs getting longer and ”epic”. In more recent years, they have made a number of decent albums again.

It is hard to pick one song from their large discography, but my choice today is ‘The Drowning Man’. It is a Robert Smith composition par excellence. Around a small musical invention or idea, in this case the rhythm, he builds up a brilliant pop song with a intriguing and wonderful melodic guitar line. It is a slow but very intense song in which his vocal style comes to full blossom. A giant of a song! Just one of the many outstanding tunes he has written.

METALLICA – DAMAGE INC

In part five of our 80s tour it is time to turn to the ‘stronger stuff’ (some would say: childish or even ridiculous stuff). As I recall, at first glance there was very little in my teenage consciousness to indicate that I would ever become a fan of metal music. But unconsciously the seeds were sown at my parent’s home.
Love for guitar music and instrumental virtuosity, and metal often combines the two, was instilled in me by my dad: he listens to jazz guitarists like Wes Montgomery, Joe Pass and Barney Kessel. Although I found it often boring, later on I realized that these brilliant and technically very accomplished guitar players were real pioneers who revolutionized the world of music with their use of electric guitars. Naturally, their playing is a far cry from the riff-based and speed-driven style of thrash metal, but the idea of electric guitars playing a pivotal role in arrangements and composition was introduced to me through the music collection of my dad.
I say ‘metal’ as if I know anything about that genre, but nothing could be further from the truth. Metal is a very big music family and there are as many currents as there are bands in this line of music. My love for metal is limited to what has become known as ‘thrash metal’. It combines what I seek in metal: speed and riffs. I never got into Iron Maiden or Judas Priest or other ‘heavy metal’ bands of that time. Now I know how important and even crucial these two bands were to many of the thrash bands I listen to.
My teenage mind was hooked to the gloom and dark atmosphere of new wave, but the search for more extreme things continued. And metal looked to me as forbidden fruit. Moreover, thrash metal happened in the 80s and I am a child of that time. It simply had to cross my path…
Metallica I heard the first time, I think, in a television broadcast. The journalist had an item in which he explained ‘that the youth of America is currently obsessed with ”extreme metal”’. And footage of Metallica playing, supported his item. I had never heard anything like it before and started listening to it right away. As a student I came across people who were listening to this kind of music and that helped me as well to be ‘seduced’ by metal.
The story about Metallica has been told many times and they are truly one of the greatest and most innovative bands of all time. As I had very little knowledge of the origins and forefathers of metal, I was really convinced they played a new kind of music. Love this ignorant state of mind as teenager when all new experiences have such a huge impact on you!
The first three records of Metallica are classics and I love them with all my heart. I did not like the direction they took with The Black Album, but that tells you more about my selfish mind. It is to their eternal credit that they were able to break out such a conservative and in many ways intolerant (towards other music) genre as metal. Of course, the money was good too…

As said, speed and riffs is what I want and among all the classic songs Metallica has written, for me a prime example of that is ‘Damage, Inc’. Nobody can beat a Hetfield/Ulrich arrangement and the main riff, in both the fast and slow version, fills my heart with joy. The genius riff writing of Hetfield shines here like never before. And he downpicks his way through it with the same excellence. That galloping riff explains why I love metal. Death and destruction are everywhere, but this song makes me very happy.

My stories get longer all the time, sorry!

SLAYER – SPILL THE BLOOD

In part six of the 80s song challenge I am confessing to my ‘greatest sin’, when it comes to music.

There are a few essentials in life. One of them is Slayer.

Yesterday I described how my love for metal came into being. I am a man and men like to compare and make up lists with their favorite items. And now I will be comparing two of the biggest metal bands of the 80s. 
Metallica was the band that made me love in with this line of music. And when I quietly and rationally think about it, I know that Metallica is a better band than Slayer. They are true innovators, probably also better musicians and composers, with the sole exception of Lars Ulrich vs Dave Lombardo. But then again, Lars Ulrich played a huge role in arranging and writing the classic Metallica tunes we all love and admire.
But music is emotion and when asked which band do you prefer, I will answer you with all my heart: Slayer! Or, as is custom to shout when they play or even when other bands are playing: Slayerrrrrrrr!!! I simply love them. Deep down it satisfies dark and secret wishes inside of me, On my blog I have written on that subject as well, in my piece about Jeff Hanneman. The shy and reserved man wrote some of the sickest and most evil riffs in metal ever.
You can easily ridicule Slayer for their style, attitude and disgustingly ugly record sleeves. Yes, their ‘atonal’ solos stink and their lyrics, especially in the old days, are really over the top. But when it comes to heavy music, they are the bar. They are the seminal metal band. 

Slayer’s masterpiece is Reign In Blood, 28 minutes of glorious insanity. It is probably the most intense half hour of music ever dedicated to vinyl. Mutilation, sexual aberrations, Nazi death camp killers, you name it, it is very graphically described on this record. But you feel more love of life in you than ever after listening to it. The adrenalin keeps on pumping through your veins.

But my favorite Slayer album is South Of Heaven. They slowed down a bit, Dave Lombardo got more room to excel and Tom Araya’s handling of the lyrics led to a more realistic approach. And Mr. Hanneman cranks out some of the heaviest and ingenious riffs ever. He was in control of the artistic process on this record and his immense writing talents make it another masterpiece, in my humble opinion.
From this record I have chosen ‘Spill The Blood’. it is a slow piece and Slayer is known for its speed, but it is my favorite Slayer tune. Somehow Hanneman captures the essence of heavy music in that riff. I love the bone crushing tritone in it! As long as I am able to listen to music, some of Jeff Hanneman’s riffs will stay with me forever.

NEW ORDER – LEAVE ME ALONE

In my final part of the 80s songbook tour I will write about the band which has really been an important part of my life. I am talking about New Order, the pop group with the dark past. They appeared as a seemingly unhappy and for failure destined rebirth after the tragic suicide of Ian Curtis. His death ended the short but legendary story of Joydivision. Bernard ‘Barney’ Sumner, guitarist of Joydivision, reluctantly stepped in and took over as vocalist. He was facing a giant if not insurmountable challenge.

New Order’s first album, Movement, shows the dilemma: desperately they try to create the same sinister and alienating doom of Joydivision and Sumner tries frantically to write the same kind of introspective lyrics Ian Curtis wrote. They fail on both accounts, but the album does have strong and original parts.
Remarkable is the orchestration between synthesizers and other ”traditional” instruments. With Joydivison, effects, created by their legendary producer Martin Hannett, were used for creating shock and filling up the scarce instrumentation. Now the synthesizers and sound effects are actually part of the arrangements and melodies. Sumner’s singing is weak and unsure, but his musical ideas are glimpsing through already.

With their second album, Power, Corruption and Lies, New Order found its own and definitive style. This record is one of my all-time favorites. Sumner sings with great confidence and the doom and gloom of Joydivision have disappeared. The interplay between synthesizers and other instruments is seamless. And ‘Hooky’s’ monumental, melodic and distinctively rhythmic high baselines cut through you like a knife. What a shame the man left the band, that was a big blow for me as a fan. But Sumner is the heart and soul of them, he created the framework in which Hooky could excel.

These are the words of a fan of course, but it explains why New Order is still around. Sequencing and other techniques have been revolutionized and much synth pop has for that reason disappeared, but the style New Order arranged and developed will never become outdated.

Sumner is neither a great vocalist nor an accomplished guitar player. Yet he has given us classic guitar lines in both Joydivision and New Order. In the words of Johnny Marr: Bernard is a simple player, but it takes me hours to figure out what he does, since his ideas are unique and for that reason difficult to understand.’

Bernard Sumner does not even have an ounce of the charisma of his mythical predecessor. And he is certainly not a magician with words like Ian Curtis. But the music and lyrics he writes are from empty or superficial. The music of New Order is often dance-oriented, but conveys a deep melancholic and authentic emotion. Especially on PCL, beneath the happy and danceable melodies, there is a rich undercurrent of tension and anguish. His lyrics seem straightforward, but confuse the listener and are ambiguous. ‘Blue Monday’ is certainly not the only example of that. Even great hits like ‘The Perfect Kiss’ and True Faith’ are not your happy danceable pop songs. They deal with serious and dark issues.

Initially overshadowed by a legend, New Order now themselves have gained that status. Bernard Sumner was and is part of two seminal innovative bands, how many artists can say that? Groundbreaking singles like ‘Everything’s Gone Green’, ‘Temptation’, ‘Confusion’ and of course ‘Blue Monday’ have changed the course of British pop music and have been exerting lasting influence since then. Not charismatic and flamboyant, but a true innovator and outstanding composer he certainly is. Like his legendary predecessor he belongs to the truly greats of British pop music.

My last song for our challenge is ‘Leave Me Alone’. I should not have chosen this song, since it is quite a ‘conventional’ song: base, drums, guitars and no synthesizers, so not a ‘signature’New Order song. But it proves that New Order is neither a synth nor a rock group; artistic borders do not exist in their music. It is just a beautiful song with meaningful lyrics and I am deeply moved by it each and every time I listen to it.

 

 

 

Jenny Erpenbeck: groot en gewetensvol romanschrijfster

De Duitse literatuur is lange tijd gekenmerkt door een traditie van geëngageerde literatuur. Na de Tweede Wereldoorlog ontstaat een nieuwe literaire stroming, de zogenaamde “Trümmerliteratur’’, die beschrijft hoe het leven is in Duitsland na het Derde Rijk en de verwoestende oorlog die het begonnen had. Het land bevindt zich op een moreel en cultureel dieptepunt dat zijn weerga niet kent in de turbulente geschiedenis van Duitsland.

Als de Gruppe 47 wordt opgericht onder leiding van Hans Werner Richter, formuleert zij het uitgangspunt van deze beweging: Duitsland bevindt zich in ‘’die Stunde Null’’. Alle oude vormen van literatuur hebben afgedaan en hebben de catastrofe van het nazisme niet kunnen afwenden. Een van Duitslands bekendste schrijvers, Günter Grass, zal later zijn debuut en beroemdste roman, Die Blechtrommel, aan deze groep presenteren. Gruppe 47 kent geen ideologisch of literair programma en geen vaste organisatievorm. De afkeer van het nazisme en zijn gruwelijke misdaden is wat de groepsleden verbindt. Zij speelt tot midden jaren zestig een voorname rol in belangrijke maatschappelijke discussies.

Einde jaren zeventig ontstaat de ‘’Väterliteratuur”, waarin de jongere generatie terugkijkt op de geschiedenis van hun ‘’vaders’’ en daarbij speelt de Duitse schuldvraag en de rol van de ‘’ouders’’ een grote rol. Op deze wijze trachten zij begrijpen hoe een ‘’luilak’’ en ongeletterde man als Hitler Duitsland heeft kunnen verleiden en waarom specifiek hun ouders zich schuldig hebben gemaakt aan gruwelijke misdaden.

Na de Duitse hereniging richt een aantal schrijvers zich op de verwerking van het DDR-verleden en hoe voormalige DDR-burgers zich staande proberen te houden in een postindustriële en kapitalistische samenleving. Zij hadden geleerd dat al het kwaad uit het Westen kwam en nu moesten zij reflecteren op een ander totalitair systeem, het land waarin zij zelf geleefd hadden en hen zogenaamd bevrijd had van fascisme en onderdrukking.

Kenmerkend voor deze stromingen is de nadruk op houding van mensen ten opzichte van ideologieën en tijdens grote gebeurtenissen uit de geschiedenis. Zijn er specifiek ‘’Duitse’’ oorzaken voor de opkomst van Hitler? Daarnaast spelen morele en filosofische kwesties een grote rol, als reactie op de morele leegte die het Derde Rijk heeft achtergelaten. Hoe kan Duitsland nu van het kwaad gered worden, hoe zorgen we ervoor dat we nooit meer terugvallen in de barbarij van het nazisme? Wat zijn de overeenkomsten tussen Nazi-Duitsland en de DDR? In hoeverre is het leven nu beter in het herenigd Duitsland?

Buiten Duitsland krijgt de Duitse literatuur weleens de naam ‘’onleesbaar’’ te zijn door de nadruk op deze thema’s. Een boek van een Duitse schrijver zou je drie keer gelezen moeten hebben om te begrijpen waarover het gaat. Duitse schrijvers zien zich bijna genoodzaakt zich bezig te houden met de Duitse schuldvraag en de twee ideologische systemen die beide delen van het land in hun macht hadden.

De huidige literatuur lijkt deze traditie niet meer te kennen, en als zij al stilstaat bij deze thema’s, dan zijn de zwaarmoedigheid en het serieuze verdwenen; men ontkent niet de misdaden van het naziregime of van de communistische DDR-dictatuur of die in de eigen kring, maar de bijna obsessieve zoektocht naar de oorzaken van de collectieve schuld en de dieperliggende drijfveren staat niet langer centraal. Er is sprake van een nuchtere en lossere benadering en meer ruimte voor individuele waarneming en emotie. In de woorden van de filosoof Peter Sloterdijk: “de huidige generatie heeft het naziverleden niet meer nodig tot diepzinnige of existentiële literatuur te komen: de eigen ervaring staat centraal.”

 

De auteur die we hier bespreken, zou ik niet willen beschrijven als geëngageerd, maar wel als een schrijfster met een politiek bewustzijn. Jenny Erpenbeck zoekt op sommige terreinen aansluiting bij de hier beschreven literaire tendensen in Duitsland van de laatste zestig jaar, maar kiest daarbij duidelijk voor een persoonlijk en vaak autobiografisch perspectief. In een aantal van haar romans passeren de belangrijkste gebeurtenissen uit de Duitse geschiedenis van de twintigste eeuw de revue, maar die worden beschreven vanuit verschillende persoonlijke invalshoeken. Het gaat haar erom te tonen hoe gebeurtenissen de levensloop van individuele mensen kunnen beïnvloeden en niet waarom zij tot bepaald gedrag komen. In ieder geval wordt daarover geen moreel oordeel geveld, een kenmerk van postmodernistische literatuur

Jenny Erpenbeck wordt in 1967 in Berlijn geboren. Zij volgt eerst een opleiding tot boekenbinder, studeert daarna theaterwetenschappen, om later uiteindelijk voor theatermuziekregie te kiezen. Zij studeert af op de enscenering van een opera van de Hongaarse componist, Bela Bartok. Haar vader, John Erpenbeck, is een bekende natuurkundige, psycholoog en auteur van verschillende boeken. Haar moeder Doris Erpenbeck was vertaalster Arabisch-Duits en haar grootmoeder was een bekende schrijfster uit de DDR, Hedda Zinner. Deze vrouw staat vaak model, in een of andere vorm, voor romanpersonages bij Erpenbeck.

In haar roman Heimsuchung (in het Nederlands vertaald als Huishouden) bedenkt zij een variant op een andere traditie in de Duitse literatuur, de familieroman. In het boek staat centraal een stukje grond met een buitenhuis en een zomerhuisje aan een meer in Mark Brandenburg niet ver van Berlijn. De titel laat zich moeilijk adequaat vertalen naar het Nederlands, het heeft zowel de betekenis van bekwelling en beproeving. Het kan opgevat worden als een zoektocht naar het thuis, maar ook als een zoektocht naar het verleden.

Erpenbeck beschrijft hoe het gebied ontstaan is en voert ons terug zelfs naar de ijstijd. Zij lijkt te willen aangeven dat de krachten van de natuur eindeloos blijven bestaan en alles voortdurend doen veranderen, terwijl de mensen slechts van voorbijgaande aard zijn. Daarbij stelt zij, naar mijn overtuiging, dat evolutie een eindeloos scheppend en zichzelf herstellend proces is en de werkelijke scheppingskracht die de wereld en mens vormgeeft. Er zijn verwijzingen naar de christelijke jaartelling, maar Erpenbeck is hier bijna wetenschappelijk in haar taalgebruik, terwijl de rest van de roman zich laat kenmerken door beeldend, poëtisch taalgebruik. Erpenbeck lijkt hiermee de idee van een goddelijke invloed op het scheppen van het landschap en de mens af te wijzen.

Het stukje grond aan de Scharmützesee in Mark Brandenburg is weliswaar de spil van het boek, de verschillende geschiedenissen van zijn bewoners bepalen echter de inhoud en thematiek van het boek. In het begin zien we een herenboer met zijn vier dochters. Een van de dochters, Klara, erft de grond, maar zij is een geestelijk verwarde vrouw en loopt op een kwade dag het meer in en verdrinkt. Daarna verkoopt de boer het bos van zijn dochter aan een architect die er een buitenhuisje laat bouwen, en een ander deel aan een Duits-joodse textielfabrikant die een zomerhuis met een vlonder in het meer laat timmeren.

Erpenbeck goochelt voortdurend met tijden en de roman verloopt niet chronologisch. We lijken ons op dat moment te bevinden ergens aan het begin van de twintigste eeuw, maar in het volgende hoofdstuk zijn we in 1951, wanneer de architect niet langer in de DDR kan blijven en naar het Westen wil vluchten. Hij begraaft een aantal kostbare spullen in de grond.

Dan voert Erpenbeck ons terug naar voor de Tweede Wereldoorlog en volgen we de lotgevallen van de familie van de Duits-joodse textielfabrikant. Hij en zijn vrouw bezoeken zoon en schoondochter in Kaapstad, Zuid-Afrika, waarheen de laatstgenoemden gevlucht zijn uit Nazi-Duitsland. Zij halen herinneringen op aan de tijd in Duitsland. De textielfabrikant en zijn vrouw keren terug naar Duitsland en belanden in een dodelijke val, waaruit ze vergeefs proberen te ontsnappen. Zij verkopen voor de helft van de oorspronkelijke waarde hun zomerhuis aan de architect, die voor zijn aankoop 6% ‘’Entjudungsgewinnabgabe’’ moet afdragen.

De oorlog breekt uit en de textielfabrikant en zijn vrouw zijn nu reddeloos verloren. Zij worden gedeporteerd en uiteindelijk vergast. De architect, die meehielp het stukje grond aan het meer ‘te ontjoodsen’’, laat een bijenhuis bouwen en fruitbomen plaatsen op de voormalige grond van de joodse textielfabrikant en alles lijkt zich te normaliseren. Maar dan de komt de oorlog ook naar dit gedeelte en dringt het Rode Leger het gebied binnen. Als een jonge officier van het Rode Leger de vrouw van de architect in de kast ontdekt, spreekt hij een woord ‘’waarmee hij voor eeuwig een gat in haar boort’’. Na het einde van de DDR vervalt het huis aan de erfgenamen van de architect. Het is echter in zeer slechte staat en uiteindelijk wordt het huis gesloopt.

 

Dwars door alle tijdperken heen heeft het huis een tuinier die jaar in jaar uit de omgeving verzorgt en ten dienste staat van alle verschillende bewoners. In de intermezzo’s tussen de verschillende hoofdstukken vertelt Erpenbeck over hem en zijn activiteiten. De tuinier kan niet praten en lijkt los van alle menselijke verhoudingen te staan. Hij is een mythologische figuur die de continuïteit belichaamt en mijns inziens een aanwijzing van Erpenbeck dat de mens weliswaar zijn omgeving en tijd kan beïnvloeden, maar niet voor werkelijke blijvende veranderingen zorgt. Dat kunnen alleen de natuur en de natuurlijke krachten om ons heen.

Steeds wanneer historische en politieke gebeurtenissen de bewoners van het stukje grond dwingen te gaan of iets ondernemen, herstelt de tuinier de oude verhoudingen en staat hij symbool voor de eenheid met de natuur en de krachten die het gebied geschapen hebben. Aan het einde van het boek verdwijnt de tuinier net zo geruisloos als hij gekomen is. Op dat moment staat er op het gebied nog geen nieuw bouwwerk en is de omgeving weer even ‘’zoals altijd’’. Omdat de mens de omgeving en zijn medemens niet kan schaden op dat moment, lijkt de tuinier overbodig. De natuurlijke orde is voor even hersteld, lijkt Erpenbeck te willen zeggen, en een ‘’bewaker’’ van deze orde is niet meer nodig.

 

Ook in haar roman Aller Tage Abend, in het Nederlands vertaald als Een handvol sneeuw, speelt Erpenbeck met vertelstijlen en perspectief. De titel is wederom moeilijk te vertalen, het betekent zoiets als ‘’het kan nog alle kanten op’’ in het Duits. De roman bestaat uit vijf boeken en in het eerste boek sterft een zuigeling en de moeder vraagt zich af of een ‘’handvol sneeuw’’ het hartje van het kind had kunnen reanimeren. De overige vier boeken brengen de overledene weer tot leven en schilderen een mogelijke levensloop, totdat zij weer sterft.

Ze wordt geboren in Brodno in Galicië, een provincie van het toenmalige Habsburgse Rijk, keert dan terug in Wenen waar zij zelfmoord pleegt, duikt weer op in Moskou ten tijde van de showprocessen en de laatste twee boeken spelen in de DDR, waar ze eerst een gevierd schrijver is en vervolgens ‘’definitief’’ sterft in een rusthuis vlak na ‘’die Wende’’.

Net zoals in Heimsuchung dient de Duitse geschiedenis uit de twintigste eeuw als decor voor haar roman en verweeft zij ingenieus persoonlijke lotgevallen met grote historische gebeurtenissen en omwentelingen. Het centrale thema is toeval het menselijke lot beïnvloedt. Het boek lijkt zich ook te concentreren op de verhoudingen tussen de seksen en met name op hoe vrouwen zich staande dienen te houden in een wereld die vaak door mannelijk ingrijpen en geweld ingrijpend verandert. Het toeval in Erpenbecks boeken doet zich voor in velerlei gedaanten en moet niet gezien worden als eenmalige grote gebeurtenis. Historische ontwikkelingen en ontmoetingen met mensen kunnen ook onder ‘toeval’ vallen.

Het gaat erom dat mensen geen grip hebben op veel dingen om hen heen. In het eerste boek wordt gezegd dat ‘’het beter zou zijn dat het toeval het leven bepaalt en niet God’’. Zegt Erpenbeck hier dat God ook onder toeval valt? Wanneer een kind sterft, hoe kun je troost zoeken bij een God die datzelfde kind heeft doen sterven? De hoofdpersonage zoekt naar een manier haar geloof te rijmen met haar verlies.

 

Gebruikt Erpenbeck in Heimsuchung de mythologische figuur van de tuinier om de verschillende verhaallijnen te verbinden, in Aller Tage Abend laten korte ‘’intermezzo’s ‘’de vijf boeken in elkaar overvloeien. In deze intermezzo’s bereidt Erpenbeck de lezer voor op een nieuwe mogelijke levensloop van haar hoofdpersoon. In alle vijf boeken komen de verzamelde werken van Goethe steeds weer aan de orde. Deze zijn familiebezit en lijken dwars door alle tijden heen redelijkheid, wijsheid, beschaving en cultuur te symboliseren terwijl dictatuur, antisemitisme, showprocessen, onderdrukking en verwoesting de waan van de dag bepalen. In het laatste boek overweegt een afstammeling van ‘’mevrouw Hoffmann’’, zoals we nu eindelijk te weten komen hoe ze heet, de boeken te kopen, maar doet dat niet. De mens toont zich hardleers en blijft blind voor de verschrikkingen van het verleden. Hij begrijpt niet dat het heden niet bestaat zonder te proberen het verleden te doorgronden.

Critici hebben Jenny Erpenbeck verweten een ‘’te geconstrueerde en emotieloze’’ roman geschreven te hebben. Maar ik ben het daarmee volledig oneens. Ten eerste is het boek in prachtige beeldende en poëtische taal geschreven. Beslist niet makkelijk te lezen maar vol met momenten van grote taalschoonheid. Erpenbeck vermengt, volledig natuurlijk, proza met poëzie. Op verschillende plaatsen ‘zingt’ de taal. Daarnaast kent ieder boek afzonderlijk zijn eigen ritme en stijl. Dit is in overeenstemming met haar opvatting dat taal net zo veel zegt en uitlegt als de inhoud zelf. De lezer ervaart via de woordkeus en de taal veel over de gevoelens van de helden in het boek. Ondanks het grote panorama dat zij beschrijft, blijft de emotie van het hoofdpersonage zeer tastbaar.

 

In haar roman Gehen, ging, gegangen snijdt Jenny Erpenbeck een hoogst actueel thema aan: de vluchtelingenproblematiek. Een Oostberlijnse emeritus-professor in de oudheid, Richard, komt op toevallige wijze in aanraking met vluchtelingen uit voornamelijk West-Afrika. Hij begint zich te interesseren voor hun lot en verhalen. Voor de roman heeft Erpenbeck zelf veel research gedaan en gesproken met vluchtelingen. Het is natuurlijk een hachelijke zaak zich als schrijver en literator te wagen aan een dergelijk thema. Men kan het verwijt krijgen op zoek te zijn naar een ‘’bestseller’ en zich niet te laten leiden door literaire motieven. En het verleden toont aan dat politiek en literatuur moeilijk samengaan.

Het boek kent ook zeker zwakke kanten. Onder de vluchtelingen van Erpenbeck zijn geen geweldplegers, criminelen of mensen met dubieuze motieven. Het zijn bijna allemaal aardige nette mensen met een treurig verhaal. De held, de emeritus-professor, is een man met politieke correcte opvattingen. Maar van de andere kant ondergaat hij geen louteringsproces. Erpenbeck toont aan dat hij, ondanks zijn eruditie, vaak blijft hangen in zijn eigen vooroordelen. Zo geeft hij sommigen van de vluchtelingen namen uit de Oudheid, omdat hij hun echte namen maar niet kan onthouden.

Maar uiteindelijk is het een mooie en prettige roman om te lezen. Erpenbeck is een moreel en politiek bewust schrijfster die het ook prachtig kan opschrijven. Daarnaast is het boek schrijnend, en beslist niet sentimenteel, in de omschrijving van de bureaucratie die de vluchtelingen voortdurend voor het blok zet en hen geen kans geeft te gaan werken of zich te ontplooien. En dit beeld van de nietsdoende vluchteling versterkt bij het publiek weer alle vooroordelen die tegen vluchtelingen bestaan.

Erpenbeck tracht ons duidelijk te maken dat vluchteling hun verhalen aanpassen omdat zij bepaalde dromen en ambities nastreven. Zij verklaart waarom dit gebeurt en veroordeelt niet. Dit beschrijft zij afwisselend nuchter en humoristisch, zonder het goedkope effect te zoeken. Omdat zij zo een benadigd en groot stilist is, weet zij alle clichés en kitsch te vermijden en levert een meeslepende roman af die direct aansluit bij de realiteit in Duitsland. Het is geen politiek pamflet, maar een humane en treffende beschrijving van een van de grootste maatschappelijke problemen van onze tijd.

Jenny Erpenbeck, theaterwetenschapper, muziekregisseur en auteur, is naar mening een van Duitslands beste schrijvers. Haar taal is poëtisch en fijnbesnaard. Haar romans hebben vaak een afwijkende opbouw die de lezer de ruimte geven zelf veel in te vullen. Hier lijkt haar werk op de filmtechniek van Michael Haneke: zij betrekt de lezer nadrukkelijk bij haar schrijven en zodoende wordt deze ‘’deelnemer’’ aan het beschrevene. Kierkegaard zei dat het leven ‘naar voren’ geleefd wordt, maar pas begrepen kan worden als men terugkijkt. Jenny Erpenbecks proza is een belichaming van dat credo. Zij vat de vele cesuren in de Duitse geschiedenis van de twintigste eeuw op als stijlmiddelen die ons helpen het heden te begrijpen. Haar boeken zijn vaak moreel en politiek geladen, zoals we dat kennen uit Duitse naoorlogse literaire tradities, maar tegelijkertijd zijn zij taalkunstwerken die behoren tot het beste van alle Duitse literatuur.