Cesare Pavese: de man alleen

Cesare Pavese

Ik ben een grotere liefhebber van proza dan van poëzie. Maar gelukkig zijn er mensen die de schoonheid van beide in zich verenigen. Een van hen is de Italiaanse dichter/schrijver Cesare Pavese. Hij schrijft een verhalende poëzie die in de twintigste eeuw een steeds zeldzamere verschijning is geworden. De ‘hermetici’ hebben de overhand op het moment dat Pavese debuteert met zijn gedicht ‘De zeeën van het Zuiden’ in 1930. De hermitici schrijven een duistere ontoegankelijke poëzie die leunt op woord- en klankassociaties, persoonlijke toespelingen . Het is erop gericht te beschrijven hoe mensen hun leeservaringen verinnerlijken. De vorm is belangrijker dan de verhaallijn en de taal dient als doel op zich. Zij zoeken naar associaties en gevoelens en bestrooien hun dichtregels rijkelijk met metaforen, waarbij de lezer zich koortsachtig afvraagt waar hij aan toe is. Dit is een grote verrijking van de dichtkunst en geeft ongekende artistieke vrijheden. Maar Pavese wil met zijn gedicht afstand doen van de grote metafysische thema’s. Hij zoekt naar ‘stoffelijke’ aanknopingspunten, zoals kleuren, natuur en geluiden. ‘De zeeën van het Zuiden’ is een kalm voortschrijdend gedicht dat zijn poëtische kracht louter ontleent aan de zeggingskracht van de gekozen taal en de volstrekte trouw aan de feiten. De lezer krijgt een zeer realistisch beeld voorgeschoteld en weet precies wat er gebeurt. Toch kan de lezer zich er geheel in verliezen en zijn emoties laten vloeien.

Volgens Pavese vernauwen de hermetici de dichtkunst tot zuivere lyriek en creëren zij gammele bouwwerken die de werkelijke kunst van het dichten geweld aandoen. Pavese wil tonen dat stoffelijkheid en authenticiteit evenveel mogelijkheden bieden het volledige scala aan emoties en stemmingen te tonen. Daarnaast is verhalende poëzie uitermate geschikt stijl en taal te verfijnen: de taalkunst staat net zo zeer centraal als bij de hermetici. Pavese staat een sobere en objectieve beschrijving van de werkelijkheid voor in een taal die tegen de spreektaal aanschurkt. Het is een fabeltje, aldus Pavese, dat verhalende poëzie saai zijn. Juist een heldere verhaallijn kan de lezer ‘verleiden’ en grote spanning oproepen. Het zou weleens zo kunnen zijn dat poëzie zich hiervoor beter leent dan proza. Een duidelijk motief leidt bij de lezer tot spiegeling en herkenning en hij beleeft het gedicht als het ware ‘van binnen uit’. Pavese lijkt hier zich impliciet aan te sluiten bij wat Louis-Ferdinand Celine heeft gezegd over schrijven: de lezer moet het gevoel hebben dat wat hij leest, waarheidsgetrouw is. Hij dient het verhaal in zijn hoofd te zien afspelen om werkelijk in het verhaal gezogen te worden. Celine mengt nadrukkelijk fictie met werkelijkheid om deze gemoedstoestand bij de lezer op te roepen. Pavese en Celine ‘dwingen’ de lezer te geloven wat zij lezen: hoezeer de waarheid ook geweld wordt aangedaan, de suggestie van werkelijkheid moet altijd blijven bestaan.

Pavese breekt in zijn werk met de hermetische poëzie. Zij heeft geen relevantie voor het dagelijkse leven en is te persoonlijk. Hij wijst naar de Italiaanse dichter Gabriele D’Annunzio (1863-1938) die hij ziet als een exponent van decadente en esthetiserende literatuur. D’Annunzio staat bekend om zijn bombastiek en egoïstische moraal en bewondert voor het fascisme. In alles is Pavese zijn tegendeel. Pavese komt niet tot zijn ideeën over poëzie uit politieke overtuigingen. Hoewel hij in 1935 veroordeeld wordt tot drie jaar ballingschap wegens antifascistische activiteiten, is Pavese geenszins politiek geëngageerd. Hij heeft geen enkele politieke of maatschappelijke overtuiging. Weliswaar persifleert hij in een van zijn eerste werken de alledaagse gang van zaken op een fascistische avondschool, toch valt hij vooral op door afwezigheid in de openbaarheid wanneer het de politiek aangaat. De reden voor zijn arrestatie en verbanning is het in bezit hebben van compromitterende documenten die een vriendin hem in bewaring heeft gegeven. Pavese verraadt haar niet en wordt daarom veroordeeld.

De ballingschap, in een klein dorp in het uiterste zuiden van Italië, is voor Pavese een kwelling en vervult hem met grote eenzaamheid. Hij begint aan een dagboek, aanvankelijk Beroepsgeheim geheten, later verandert hij de titel in Leven als ambacht. De man die de bron van het leven zoekt in ‘aardse’ zaken als kleuren, natuur en geluid, komt in zijn dagboek naar voren als een onzekere, zoekende en onbeholpen man die onmachtig tegenover het leven staat. Hij krijgt geen grip op de wereld om hem heen en vervalt in sombere bespiegelingen over de mensheid en ervaart bijna kinderlijke angsten wanneer geconfronteerd met de meedogenloze kracht van de natuur. Het is voor hem een martelende obsessie om vast te stellen dat hij de wereld om hem heen maar niet begrijpt. Maar de dichter Pavese put moed uit zijn ballingschap: ‘Ik moet leren om deze futiele ramp, deze vermoeiende nutteloosheid, als een godsgeschenk te beschouwen – zo een zoals alleen dichters ze krijgen – als een neergelaten gordijn voor de voorstelling die straks weer begint. Ik verklaar me nader. Ik keer terug tot een onbestemde kinderlijke of beter gezegd een onvolgroeide staat, met alle onbeholpenheid en wanhoop aandien. Het leven wordt me nu tegengemaakt, opdat ik het later opnieuw zal kunnen proeven.’

Pavese ontwikkelt een stijl die weleens omschreven als ‘poesia-racconto’: gedichten die een verhaal vertellen in een objectieve taal die dicht bij de spreektaal staat. Naar eigen zeggen heeft hij deze stijl ‘al mompelend’ bedacht. Zo komt Pavese tot zijn ‘taalmuziek’, gekenmerkt door een rustig en enigszins monotoon ritme. Vaak vergelijkt men zijn poëzie met korte verhalen. Kenmerkend voor zijn poëzie is het gebruik van dezelfde beelden, waarmee Pavese dan vervolgens tracht te variëren. Hij trekt geen vergelijkingen, hetgeen veelvuldig voorkomt in poëzie, maar verbindt bestaande en gebruikte beelden met nieuwe begrippen, waardoor deze motieven de verbeelding van de lezer steeds weer prikkelen. Het motief, zo vaak als het al gebruikt is, krijgt een nieuwe betekenis en geeft Paveses poëzie telkens weer kracht en spanning. Vaak zien we de ‘l’uomo solo’, de man alleen, terugkeren bij Pavese, maar altijd in andere gedaante in een veranderende verhouding tot de werkelijkheid om hem heen. Normale beelden schenkt Pavese verheven betekenis door zijn ‘rapport fantastico: in de verbeelding van de lezer symboliseert het bekende beeld nu een nieuwe ervaring.

Maar is rapport fantastico juist niet een stijlvorm die doet denken aan de hermetici? Creëert Pavese niet juist hiermee de ‘vaagheid’ en gekunstelde metafysica die hem zo tegen de borst stuit bij deze school van poëzie?  De stoffelijkheid zou het uitgangspunt moeten zijn, omdat dingen van zichzelf geen betekenis hebben, zij kunnen geen ‘nieuwe relatie in de verbeelding’ oproepen. Pavese lijkt hiermee te trachten de werkelijkheid in zijn grip te krijgen. Voor vele dichters in het streven naar het onmogelijke de essentie van het dichterschap, een vermetele poging ervaringen en emoties te doorgronden. De beschrijving zelf geeft de ultieme kick, het streven hiernaar is een doel op zich. Maar Pavese wil nieuwe ervaringen en gevoelens ‘vastpakken’ en wanneer hij ervaringen en gevoelens beschrijft, moet dat dezelfde intensiteit geven als bij de ‘ontdekking’ van deze ervaringen. Hij wil in de beschrijving van emoties de hevigheid ervan behouden.

De herinnering speelt ons parten volgens Pavese. Zij zorgt ervoor dat de ervaring ophoudt hevig te zijn. Hoe mooi ook de beschrijving, de ervaring is ‘voorbij’ en slechts ontnuchtering blijft over. De taal heeft ons losgeweekt van de werkelijkheid en we staan tegenover de dingen. Daar waar de dichter ‘zijn werk’ moet doen, wanneer van hem verlangd wordt de extatische ervaring in krachtige sprekende woorden te vangen, faalt hij. We moeten uitdrukken wat mooi is, aldus Pavese, maar zodra we woorden gebruiken dit te doen, verliest de ervaring haar inhoud. Paveses strijd met dit gevoel van verlatenheid is de kern van zijn dichterschap. In al zijn gedichten is voelbaar dat het leven, herinneringen, ervaringen en natuur hem diep raken, maar dat hij twijfelt aan de wijze waarop hij hen vervolgens beschrijft. Het geeft zijn gedichten een unieke kleur. Juist die wanhopige pogingen ‘de inhoud van de ervaring’ vast te leggen in woorden, de zoektocht naar de ultieme verwoording, en zijn ongeloof in eigen kunnen maken hem tot een weergaloos dichter.

Pavese is een eenling die zijn leven lang in de liefde ongelukkig zal blijven. Zijn laatste onbereikbare liefde is de Amerikaanse actrice Constance Dowling. Ook de liefde, de hevigste emotie, is voor Pavese niet te vangen.  In het postuum verschenen gedicht en de gelijknamige bundel ‘de dood zal komen en jouw ogen hebben’ beschrijft Pavese wederom het gevoel te falen emoties werkelijk te beleven. De liefde slaat om in de dood en Pavese ziet dat weerspiegeld in de ogen van de vrouw waarmee hij nooit samen zal zijn, Constance Dowling. De ‘inhoud van de ervaring’ is opnieuw niet verwezenlijkt. In Vriendinnen spreekt Pavese ‘over de spiegel en over de ogen van iemand die zelfmoord wil plegen’. Pavese voelt zich afgesneden van de dingen en ervaringen die voorbij zijn en vindt geen woorden meer de strijd aan te gaan met dit gevoel van leegte. De laatste woorden in zijn dagboek zijn: ‘Dit is allemaal weerzinwekkend. Geen woorden. Een gebaar. Ik schrijf niet meer.’ De hopeloos gekwelde en geobsedeerde Pavese stapt uit het leven op 27 augustus 1950, nog geen 42 jaar oud. Een van de grootste Italiaanse schrijvers uit de twintigste eeuw sterft daarmee veel te jong en laat Italië verbijsterd achter.

 

 

 

 

Joop den Uyl: politieke en intellectuele reus

Joop den Uyl

In deze verkiezingstijd denk ik vaak aan de man die ik zie als mijn inspirator achter mijn politieke ideeën en overtuigingen. Ik ben lid van de Partij van de Arbeid (PvdA) en beschouw mijzelf als een sociaal-democraat in de klassieke zin. Nog altijd sta ik volledig achter de uitgangspunten van de sociaal-democratie, nu in deze troebele tijden in Europe zelfs nog gepassioneerder dan vroeger.

De PvdA wordt opgericht in februari 1946, net na de Tweede Wereldoorlog en komt voort uit de Nederlandse Volksbeweging (NVB). De NVB  is zelf in 1945 opgericht door een deel van de politieke elite dat door de Duitse bezetter was geïnterneerd in St.-Michielsgestel. Zij doet een appel aan alle Nederlanders, al dan niet politiek georganiseerd, om een ‘vernieuwd’ socialisme op te bouwen. Maar niet socialisme gebaseerd op klassenstrijd, maar op geestelijke vernieuwing die gevoed moet worden ‘uit de levende bronnen van het Christendom en het humanisme’. Het moet een ‘personalistisch socialisme’ worden. Ondanks de verwijzing naar het Christendom, mag godsdienst net zo min als de klassenstrijd de basis zijn voor een nieuwe politieke beweging. Je zou kunnen zeggen dat ‘maatschappijbeschouwing’ belangrijker is dan levensbeschouwing. De enige scheidslijn van betekenis is die tussen progressieve en behoudende politieke ideeën.

De PvdA is dus veel meer dan alleen de opvolger van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP), hoewel ze organisatorisch nog sterk lijkt op de SDAP. De PvdA wil meer zijn dan alleen een sociaal-democratische partij. Tijdens haar oprichtingscongres in 1946 noemt zij zichzelf een ‘doorbraakpartij’. ‘Doorbraak’ staat voor het doorbreken van het bestaande partijstelsel met zijn ‘natuurlijke’ machtspositie voor de confessionele partijen. Die moet verwezenlijkt worden met het bedenken van een politiek programma dat alle ideologieën, religies en wereldbeschouwingen  overstijgt

Nederland is in 1946 een land dat verdeeld is door religieuze scheidslijnen en de overeenkomstige gemeenschappen leven ieder in hun eigen ‘zuil’. Dit maatschappelijke model staat dan ook bekend als ‘de verzuiling’.  De katholieken hebben hun eigen politieke organisaties, scholen en verenigingen, net zozeer als de protestanten. De PvdA wil deze lijnen tussen de gemeenschappen ‘uitwissen’ en mensen verenigen achter een programma van progressieve ideeën:

  • gelijke kansen voor iedereen
  • gelijke toegang tot onderwijs voor mensen uit alle sociale klassen
  • goede en betaalbare gezondheidszorg voor allen
  • een sociaal verzorgingsstelsel ter bescherming tegen armoede en verval
  • volledige gelijkheid van man en vrouw
  • volledig scheiding van kerk en staat

Cultureel en intellectueel wil de PvdA de arbeidersklasse ‘emanciperen’, opdat hun leven een hogere intrinsieke waarde krijgt en mensen zich kleurrijker en creatiever kunnen ontwikkelen. De achterliggende gedachte is dat goed opgeleide en cultureel onderlegde mensen gezonder en gelukkiger zijn en conflicten op een vreedzame wijze oplossen. Onderwijs is de sleutel tot een beter en langer leven! Zoals de PvdA dat ziet, moet de staat een actieve rol spelen om mensen gelijke kansen te verschaffen en garanderen dat zij toegang krijgen tot die bronnen voor de verwezenlijking van hun levenswensen. De belichaming van de idee van de ‘positieve vrijheid’ zoals dat omschreven is door de politieke filosoof Isaiah Berlin.

De PvdA beschouwt zichzelf niet als een socialistische partij, maar als een progressieve partij voor alle mensen die zich tot progressieve ideeën aangetrokken voelen. En hoewel socialisme en communisme beide kinderen van de Verlichting zijn en tot dezelfde politieke familie behoren, is de PvdA fel anticommunistisch. Zij wil een rechtvaardige maatschappij vestigen langs democratische weg. De belangrijkste principes van een dergelijke maatschappij zijn gelijkheid en solidariteit, uitgedrukt in de roos uit het partijlogo.

De PvdA heeft als doelstelling een sociale vrijemarkteconomie zoals die later in de jaren vijftig in Duitsland onder regie van Ludwig Erhard gerealiseerd zou worden. Zodoende omarmt de PvdA het kapitalisme als de manier de economie te organiseren. Zij is fel gekant tegen autoritaire onmenselijke marxistisch-leninistische variant van het socialisme die de Sovjetunie voorstaat.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw krijgt de PvdA een nieuwe leider: Joop den Uyl. Hij is een man met een diep religieuze achtergrond, zijn familie behoort tot een streng-gereformeerde stroming binnen het protestantisme. Hij studeert economie aan de universiteit van Amsterdam en ontvangt zijn bul in 1939. Tijdens de oorlog komt hij in contact met de ondergrondse verzetspers en begint voor hen te schrijven. Den Uyl verliest zijn geloof als hij zich geconfronteerd ziet met de verschrikkingen en de gruwelijke misdaden van het nazisme tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij zegt daarover: ”Na Auschwitz geloof ik niet langer dat er een God is. Geen God had dergelijke misdaden van zo’n omvang toegestaan en zou ingegrepen hebben.” Hij voegt er aan toe dat Jezus, God’s eigen zoon, een jood is, en hoe kan God nu toestaan dat de joden uitgemoord worden. Vanaf dat moment is Den Uyl een overtuigd sociaal-democraat.

In 1949 wordt Den Uyl directeur van het wetenschappelijke bureau van de PvdA, de Wiardi Beckmann Stichting. Zij is verantwoordelijk voor het formuleren van de politieke doelstellingen van de partij. Zijn werkelijke politieke carrière begint wanneer hij in 1953 namens de PvdA lid wordt van de Amsterdamse gemeenteraad. In 1956 wordt hij lid van de Tweede Kamer. In jaren zestig bekleedt hij ministerposten in verschillende kabinetten. En dan is hij tussen 1973 en 1977 premier.

Dat kabinet zal de geschiedenis ingaan als ‘de verbeelding aan de macht’. Het wil een nieuwe maatschappij opbouwen waarin alle progressieve en culturele idealen van de PvdA, zoals Den Uyl ze begrijpt, gerealiseerd dienen te worden. De nadruk moet liggen op menselijke waarden, en niet louter op economische doelstellingen. Het onderwijs moet kinderen uit lagere sociale klassen gelijke toegang garanderen tot hoger onderwijs en zodoende de achterstandspositie van deze kinderen uitvlakken. Gehandicapten moeten zelfstandig kunnen wonen. Werknemers moeten aandeelhouders kunnen worden in de ondernemingen waarvoor zij werken en delen in de winst. Den Uyl wil het gat tussen rijk en arm zo ver mogelijk verkleinen. De kunst ontvangt ruimhartige subsidies om ‘gewone mensen’ in staat te stellen theaters en musea te bezoeken en hen uit te nodigen meer te lezen. Inspiratie voor dit alles vormt het aloude sociaal-democratische ideaal van de ‘geestelijke verheffing van de arbeider’.

Tijdens deze jaren formuleert Den Uyl het adagium van zijn kabinet als volgt: ”het uiteindelijke doel van ons beleid is de spreiding van kennis, macht en inkomen.”. De klassieke formule van de sociaal-democratie. En ik geloof hier nog vurig in!

Natuurlijk bedoelt Den Uyl met gelijkheid niet dat alle mensen gelijk moeten zijn. Dat kan ook helemaal niet en moet ook vooral niet! Mensen zijn niet gelijk en moeten nooit gelijk zijn. Mensen hebben uiteenlopende talenten en wensen. Het druist tegen de menselijke natuur in en elke poging dit toch te bewerkstelligen, leidt tot terreur en gruwelijke misstanden. Nee, gelijkheid betekent gelijke kansen voor iedereen. Geen maatschappij kan het zich veroorloven talent mis te lopen omdat zij bepaalde groepen uitsluit of niet genoeg kansen verschaft zich te ontplooien. De schadelijke gevolgen van minder gelijkheid zijn op langere termijn niet te overzien. Alle mensen moeten uitzicht hebben en behouden op een beter leven. Meer gelijkheid betekent meer harmonie in een samenleving en maakt haar vitaler.

Het kabinet Den Uyl valt uiteindelijk roemloos over de grondpolitiek en ziet zijn idealen verdampen. Al eerder moeten er serieuze bezuinigingsmaatregelen genomen worden vanwege de zware economische crisis die Europa treft in de jaren zeventig.

Het is moeilijk te oordelen over Den Uyls markante complexe persoonlijkheid. Zonder enige twijfel kan men zijn stijl en politiek leiderschap bekritiseren. Den Uyl is vaak te emotioneel betrokken en zijn persoonlijke voorkeuren beïnvloeden zijn politieke beoordelingsvermogen op negatieve wijze.  Een premier dient het land te verenigen, daar geloof ik zeker in, en Den Uyl polariseert te veel. Bijna obsessief poogt hij zijn politieke ideeën door te drukken en heeft weinig begrip voor de vaak plausibele argumenten die zijn politieke tegenstanders aanvoeren. Bekend zijn de verhalen over de kabinetsvergaderingen die hij voorzit, dat deze wel dagen kunnen duren! Omdat Den Uyl eindeloos probeert zijn collega’s in het kabinet te overtuigen van zijn gelijk en de juistheid van zijn plannen.  En hij is daarbij vaak drammerig en irriteert anderen met zijn ‘eeuwige en repeterende’ pleidooien voor zijn beleidspunten, terwijl hij hun argumenten blijft negeren.

Maar vriend en vijand zijn het erover eens dat hij een man is van een formidabel intellectueel en politiek statuur. Een uitzonderlijke combinatie…Veel politici zijn louter geïnteresseerd in macht. Nu keur ik dat niet af, het streven naar macht is toch een voorwaarde om tot politieke besluitvorming te komen. Maar de huidige ideeënarmoede die we zien bij veel sociaal-democratische partijen, is een doorn in het oog. En ideeën heeft Den Uyl te over.  En Den Uyl is een eerlijk en goed mens. Ik begrijp dat ik me nu op glad ijs begeef, maar ik geloof dat echt. Den Uyl denkt vanuit een oprecht en gepassioneerd  engagement om mensen in achterstandsposities uitzicht te bieden op een betere toekomst.  Daarnaast is hij een democraat in hart en nieren en verdedigt hij het democratische bestel te vuur en te zwaard. Politiek draait bij hem om de kleine marges.

Zijn uitzonderlijke geest waart nog altijd over de Nederlandse politiek en samenleving. En zijn geest zou het politieke debat in Nederland weer nieuw leven moeten inblazen. Zijn ideeën over gelijkheid en solidariteit moeten de mensen weer prikkelen. Hij zal mij blijvend inspireren na te denken over de inrichting van onze maatschappij. En dat vanuit een positieve benadering! Ik geloof nog altijd in vooruitgang en progressieve ideeën hebben de toekomst. Joop den Uyl belichaamt voor mij dat geloof.

De PvdA bestaat nog steeds, maar is geen schim meer van de partij die zij was onder Den Uyl. Ik ben slapend lid van deze uitgebluste partij. En ik ben nog een van de weinige leden…Ik weet wel dat ik nu overdrijf, maar de PvdA heeft het neo-liberalisme en het ongebreidelde geloof in de vrije markt volledig omarmd. Het neo-liberalisme is nu al 30 jaar dominant in de politieke arena en heeft mijns inziens al zo veel kapotgemaakt. Politiek gaat alleen nog over ‘economische efficientie’ of ‘kosten terugdringen’ of ‘een strakke begroting’. In een woord: economie. De ongelijkheid groeit in Nederland en ik ben ervan overtuigd dat ook de hele migranten- en vluchtelingendiscussie hier meer mee te maken heeft dan velen denken. Uiteindelijk zorgt een grotere kansengelijkheid voor perspectief voor mensen. Maar deze discussie moeten we maar een andere keer voeren.

De verkiezingen staan voor de deur en de PvdA staat er beroerd voor. Ik heb het gevoel dat zij haar laatste verkiezingen tegemoet gaat. Wederom overdreven gesteld waarschijnlijk, maar zo voel ik dat. De PvdA zoals zij nu is, zal ik niet missen. Maar wel is het bijzonder treurig als de partij van Joop den Uyl verdwijnt.

 

 

Wipers en Greg Sage: culthelden van de punkrock

Greg Sage

Amsterdam, 1992, concert van Wipers in De Melkweg, hooguit 50 mensen aanwezig. Dat is treurig, omdat een band/man staat te spelen die een invloed heeft uitgeoefend op punk en grunge die weinigen kunnen evenaren. Hij is zelfs de ‘vader van de grunge’ genoemd, de muzikale stroming uit Seattle die zo bepalend was in de jaren negentig van de vorige eeuw. Het gaat niet om labels of vastpinnen op een genre, en zelf zegt Greg Sage dat het hem geen bal interesseert. Veel recensenten schrijven nu dat hun vier eerste albums tot de klassiekers in de annalen van de Amerikaanse punk behoren. Greg Sage is het hiermee van harte oneens. ”Ik was nooit een punker”, zegt hij. ”Wat mij trok in de punk, was de enorme kracht en intensiteit. Ik werkte in een filmtheater en dan werk je in stilte aan een project. Wanneer dan de film af was en je zag hem samen met het geluid…wow!, wat een sensatie, als je dat op een plaat kunt doen! Een dergelijke climax geeft kippenvel. En ik dacht alleen maar: hoe krijg ik een soortgelijk gevoel uit een gitaar, hoe bouw je een vergelijkbare intensiteit op zonder beeld. Vanaf dat moment wilde ik met een gitaar emoties oproepen die beelden zouden oproepen bij mensen in hun hoofd. Ik wilde dat de ‘groove’ en het ritme iets in het bewustzijn van mensen teweeg zou brengen.”

We kunnen stellen dat het hem aardig gelukt is…Kurt Cobain, John Mascis (Dinosaur Jr.), Sonic Youth, Burma Shave, om maar een paar namen te noemen, wijzen naar hem als een grote bron van inspiratie. Kurt Cobain neemt later zelfs het initiatief een compilatiealbum op te nemen als eerbetoon aan Greg Sage en Wipers. Aan dit album werken veertien bands mee, waaronder Nirvana, Thurston Moore (Sonic Youth) en ook een andere legendarische band in hun eigen genre, Napalm Death. Bands die allen groot zijn of worden.

Maar Wipers zelf spelen dus voor 50 man. Niet dat het mij stoort, zij openen die avond met de eerste vier songs van Follow Blind, op dat moment met afstand mijn favoriete Wipers-album. Het is ook wel lekker wanneer een band een beetje ‘van jezelf’ is. Bovendien heeft Greg Sage zelf voor het ‘muzikale kluizenaarschap’ gekozen. Hij wil onafhankelijk blijven en produceert al zijn muziek zelf. Alle grote platenmaatschappijen bieden hem een contract aan. Greg Sage vertelt daar zelf smakelijk over in sommige interviews. Hij vertelt hoe marketingspecialisten van de platenmaatschappijen hem willen ‘vermarkten’ als de underground-gitaarheld die boven komt drijven. Ze vragen hem meer te concentreren op zijn solo’s. Maar Greg Sage wil dit alles niet. Hij kiest ervoor in zijn studio muziek te produceren en te werken aan zijn muzikale projecten. Sage blijft halsstarrig weigeren zich aan te passen.

Het is een lovenswaardige houding in een wereld die zo gemanipuleerd wordt en waar bands en sounds letterlijk door producers vanachter de knoppen gecreëerd worden. Maar Sage had mijns inziens gewoon ‘groot’ moeten worden, als artiest had hij dat dubbel en dwars verdiend en het blijft popmuziek. Het is leuk om cultheld te zijn, maar nog veel mooier is als jouw muziek, of in ieder geval de ideeën achter de muziek, veel mensen bereiken. Zijn weerbarstigheid had ervoor gezorgd dat sommige karakteristieke en onderscheidende elementen van zijn schrijverschap en gitaarspel altijd herkenbaar waren gebleven.  Je zou bijna hopen dat hij in deze tijd was opgekomen. In onze digitale tijd en met alle sociale media had hij de touwtjes in handen kunnen houden en toch veel mensen kunnen bereiken.

Als gitarist is hij moeilijk te duiden. Natuurlijk, het is punkrock en geen technische gitaarmuziek. Maar Greg Sage is beslist geen slechte of ondermaatse speler. Je hoort in zijn spel Jimi Hendrix, klassieke muziek en ook jazzlicks. Zijn klankkleur en tuning zijn volstrekt uniek, mede omdat hij als geluidstechnicus zijn eigen instrument kan bouwen of aanpassen. Het zorgt voor een donker, onheilspellend geluid, maar tevens onmiskenbaar melancholiek en dromerig, zeker in zijn latere werk. Zijn distortion is galmend, vol en hard, maar laat melodielijnen helemaal tot zijn recht komen. Zelfs in punknummers slaagt Sage erin de sound verfijnder te laten klinken. Op Youth Of America duurt het gelijknamige nummer zelfs ruim tien minuten en breekt daarmee met alle wetten van de punk. Sage laat zich niet vastpinnen en verkent alle uithoeken. Zijn latere werk wordt veelal minder gewaardeerd en dat kan ik goed begrijpen. De dromerige melancholieke kant krijgt de overhand in zijn muziek en de songstructuren zijn minder avontuurlijk dan voorheen. Steeds meer zijn het conventionele rocksongs, met af en toe zelfs lange solo’s. Maar, en hier spreekt de fan, het blijft een majestueus geluid en doet mij nog altijd in vervoering raken. Hahaha, de meesten vinden het een brij van geluid, maar ik hoor ieder loopje, ieder akkoord in zijn spel. 

De muziek van Wipers laat zich het beste definiëren door hun eerste drie verbluffende albums: Is This Real?, Youth Of America en Over The Edge. De muziek is ijzingwekkend en kaal, maar klapt toch van spanning en vibratie uit elkaar. En af en toe verbaast Sage met verfijnde arrangementen en akkoorden uit de jazz en de klassieke muziek. Het gebeurt allemaal op deze drie inmiddels klassieke platen. Daarnaast stamt de muziek niet uit de machtige muzikale centra van Los Angeles, New York en in Europa, Londen. Dit laat hun sound vernieuwend en verfrissend klinken.

Ik durf niet eens met zekerheid te zeggen of Sage nu nog actief is in de muziek, maar af en toe duikt een interview met hem op waarin hij verklaart de muzikale erfenis van Wipers te bewaken en te werken aan nieuwe projecten. Ik weet niet of ik dit moet geloven…Wel is zeker dat hij een van Amerika’s grootste rockartiesten is die nooit kreeg wat hem ten volle toekwam.

 

 

 

 

Peter Sloterdijk: verbeter jezelf en red de wereld!

Peter Sloterdijk

 

Peter Sloterdijk is een van Duitslands meest vooraanstaande filosofen en levert al decennia provocerende en controversiële bijdragen aan het publieke debat. Vaak verguisd om zijn gebrek aan precisie in zijn terminologie en aforistische stijl, koppelt hij in zijn werk een overweldigende eruditie aan een stortvloed van ideeën. Hij lijkt zomaar ideeën uit de lucht te plukken om de gaten in zijn betogen te vullen. Hij schrijft over de meest uiteenlopende thema’s van nieuwe belastingmethodes, economie tot eugenetica, terwijl hij in hoog tempo boeken blijft produceren.

Peter Sloterdijk wordt in 1947 in Karlsruhe geboren uit een huwelijk van een Duitse moeder en een Nederlandse vader. Hij studeert germanistiek, filosofie en geschiedenis in München en later in Hamburg. In de laatste stad promoveert hij. Heden ten dage is hij verbonden aan de Staatliche Hochschule für Gestaltung in zijn geboorteplaats Karlsruhe. Tussen 2002 en 2012 presenteert hij op de Duitse televisie samen met de eveneens zeer bekende filosoof Rüdiger Safranski Das Philosopische Quartett, dat hoge kijkcijfers haalt en uitgroeit tot een invloedrijke stem in de Duitse samenleving.

Hoewel de Duitse krant Die Welt hem omschrijft als een ‘Großintellektueller’ is hij als publicist niet onomstreden. In 2005 lopen de gemoederen hoog op als hij in zijn rede Regeln für den Menschenpark volgens sommigen een pleidooi houdt voor de genetische veredeling van mensen. Sloterdijk zou willen dat wij een superieur mensenras ontwikkelen waarbij een select gezelschap van wetenschappers vaststelt over welke eigenschappen deze ‘supermens’ mag beschikken. In deze rede stipt Sloterdijk de belangrijkste ontwikkelingen aan op het gebied van communicatie en de biologie.

Het is echter een betoog over het verdwijnen, volgens Sloterdijk, van de literaire traditie van het humanisme waarmee eeuwenlang waarden als tolerantie, begrip en terughoudendheid zijn overgedragen op de komende generaties. Omdat lezen zijn lerende functie dreigt te verliezen en de humanistische literaire traditie uitsterft, leert de nieuwe generatie deze waarden niet. In een tijd van grenzeloos consumeren en hedonisme bestaan er niet langer ‘mechanismen’ die de mens remming en terughoudendheid bijbrengen.  Als de humanistische literaire traditie van boek en schrift verdwijnt, wat houdt de mens dan nog in toom? Sloterdijk onderzoekt hoe moderne maatschappijen hun burgers kunnen cultiveren. Sloterdijk loopt in zijn rede een aantal nieuwe methodes langs om deze waarden over te brengen en stelt dat we daarbij ook naar de genetica moeten kijken om ongewenst menselijk gedrag te bestrijden.

Sloterdijk zoekt aansluiting bij de kritiek van Nietzsche en Heidegger op het humanisme. Beide grote ‘duistere’ denkers verwijten het humanisme het feitelijk wezen van de mens te miskennen, of te trachten de mens in een keurslijf van een wezen te willen dwingen. De mens is door het Christendom en humanisme, dat zijn wortels heeft in het Christendom, ‘vastgelegd’ en de mens mag niet vastgelegd worden. Nietzsche stelt dat het humanisme weliswaar grote verdiensten heeft door gevaarlijke in ons aanwezige gronddriften te beteugelen,maar daardoor een verdere ontwikkeling van de mens in de weg staat. Het humanisme, en trouwens ook socialisme en democratie, andere kinderen van de Verlichting, hebben de belangrijkste these van het Christendom dat alle mensen gelijk zijn, overgenomen. De mens is milder maar ook zwakker geworden. Het gelijkheidsideaal van het Christendom en de Verlichting hebben van de mens een eenvormig, middelmatig, onzeker en wilszwak wezen gemaakt.

Friedrich Nietzsche

Nietzsche gelooft niet dat ons handelen een keuze is tussen verschillende motieven en dat we uiteindelijk kiezen voor een motief. Er is geen zelfstandig subject achter het handelen, ons ego is een speelbal van verschillende impulsen en motieven waarbij op een gegeven moment het machtigste motief ons ‘zijn wil oplegt’ en het handelen bepaalt. Deze motieven bestaan uit talloze verschijnings- en uitingsvormen die Nietzsche samenvat met zijn beroemde ‘Wille zur Macht’.

Tegenover de mens die gekneed is door de christelijke moraal, stelt Nietzsche de ‘sterke’ mens: deze accepteert bestaansonzekerheid, staat open voor het vreemde en legt zich niet vast op rituelen. De sterke mens erkent het bestaan van lijden en gevaar, hij weet dat het zich niet vastleggen de mogelijkheid tot verdere ontwikkeling openlaat en hij zichzelf kan overstijgen. Hij zoekt de uitdaging en de gevaren op. De sterke mens bindt zich niet aan idealen en moralen die hem in zijn levenslust en zucht naar hogere levensvormen beteugelen. Het kwade, zinloze en onaangename krijgt een voorname plaats in het leven en zijn vruchtbare gronden voor de mens om door te ontwikkelen. Nietzsche stelt ‘zijn’ humaniteit tegenover de gangbare: ”Meine Humanität ist eine beständige Selbstüberwindung.” De mens overwint zichzelf voortdurend en doet daarmee daadwerkelijk recht aan zijn wezen.  Elk ideaal dat de mens wil vastleggen, is een degradatie van het wezen van de mens. Nietzsche benadrukt dat hij een hypothese presenteert. Het is zijn poging om met en binnen de taal tegen de metafysica en (en de taal) en haar mensbeeld in te denken.

Bovendien beargumenteert Nietzsche dat onze moraal niet-morele en zelfs gewelddadige wortels heeft: zij is het resultaat van tucht en teling door de eeuwen heen. Nietzsche wijst op ons geweten, dat in zijn visie aangeleerd is. Geweten begint met herinnering en leidt uiteindelijk tot verantwoordelijkheid. Een mens zonder herinnering, is onberekenbaar en kan niet in toom gehouden worden. Alleen door een geheugen te kweken, kan de mens herinnerd worden aan wat gezegd is te doen.

En daarmee begint het verantwoordelijkheidsgevoel en wordt de mens ‘een deugdelijk wezen’. En om mensen een geweten aan te kweken, is vereist dat hij eenvormig en voorspelbaar wordt. Hij wordt gedwongen afstand te doen van zijn (onberekenbare) lustgevoelens, verveling te dulden en onvoorwaardelijk ”zijn plicht” te vervullen in dienst van de gemeenschap. Door mensen ‘feiten’ in het geheugen te branden, wordt hem geleerd wat ‘goed en fout’ is. Aan de hoogte van de strafmaat kan men aflezen, aldus Nietzsche, hoeveel moeite een samenleving zich getroost heeft mensen te temmen en te socialiseren. Met negatieve prikkels is de mens ”ingelijfd” in een moreel waardensysteem, in dit geval de christelijke moraal die volgens Nietzsche tevens de kern vormt van socialisme, communisme en liberalisme, andere kinderen van de Verlichting.

Martin Heidegger

Heidegger beargumenteert dat het humanisme, in al zijn varianten, meent in het bezit te zijn van het wezen van de mens. Het humanisme gaat ervan uit dat het wezen van de mens al vastligt en is daarmee, aldus Heidegger, reeds metafysisch. Metafysica geeft een bepaalde uitleg van ‘het zijnde’, dat gebaseerd is op een impliciet verstaan van het zijn en dit verstaan wordt gezien als een absolute waarheid. Het hele westerse denken, beweert Heidegger, is een opeenvolging van ‘metafysische grondstellingen’. En een dergelijke metafysische grondstelling vereist een bepaling van het wezen van de mens.   Elke vorm van humanisme gaat uit van een metafysische grondstelling en zijn mensopvatting en zijn idealen wortelen in een metafysische wezensbepaling.

Het eerste humanisme, afkomstig van de Romeinen, vindt in zijn oorsprong in het Griekse denken. De Romeinen baseren hun ideeën over de cultivering van de humanitas op een metafysische interpretatie van een wezensbepaling die de Griekse denkers omschrijven als de ‘animal rationale’, het redelijke dier. En deze eerste wezensbepaling, de grondstelling waarover Heidegger spreekt, is altijd essentieel gebleven voor alle latere vormen van humanisme: altijd is het concept van het ‘redelijke dier’ de kern blijven vormen van humanistisch geïnspireerd denken. Heidegger ziet dit als een biologische classificeren van de mens, omdat hij wordt gedefinieerd als een dier dat zich onderscheidt van andere dieren door zijn denkvermogen. Deze uitzonderlijke eigenschap doet de mens uitstijgen tot ”boven de natuur”, en maakt hem tot een ”animal metaphysicum” dat zich verheft tot een rationeel wezen en in de rationaliteit zijn ware identiteit vindt.

Nu is deze classificatie niet onjuist, volgens Heidegger, zij roept echter verwarring op. Ten eerste omdat niet duidelijk wordt hoe de twee wezensdomeinen van dierlijkheid en rationaliteit zich tot elkaar verhouden. Maar nog belangrijker is, aldus Heidegger, dat de metafysica over het hoofd ziet dat de mens slechts in zijn wezen ‘weest’. De mens wordt aangesproken door het zijn en in deze betrekking berust het meest oorspronkelijke wezen van de mens. Heidegger noemt dat Lichtung: de mens is de zijnde die het zijn verstaat, en staat daarmee in de ‘lichting’ (Lichtung), dat wil zeggen, in de waarheid van het zijn. De essentie van het zijn ligt daarmee niet in het wezen, maar buiten het wezen van de mens. Hij ‘waakt’ (Wächter) over de openheid van het zijn en hierin ligt de werkelijke waardigheid van de mens. Heidegger noemt dit ‘ek-sistentie’. Het ‘ek-sistente wezen’ staat in een voortdurende extatische verhouding tot het wezen van het zijn zelf en heeft daarmee geen vaststaande of onveranderlijke essentie: zijn wezen ligt niet en kan niet vastliggen. De essentie ligt in de betrekking tot het zijn en de mens is ‘onderweg’ naar de horizon van het zijn. De zijnshorizon van de mens is voor Heidegger de wereld en de mens is in-de-wereld (in der Welt).

De mens ‘ek-sisteert’ in de Lichtung van het zijn en vindt zijn bestemming niet in zichzelf, maar juist buiten zichzelf, in de betrekking tot het zijn. Alleen vanuit deze betrekking kan het wezen van de mens bepaald worden en is dus daarom niets menselijks. Het is niet immanent aan het mens zijn. De menselijke zelf is in feite het buiten zichzelf staan. De mens is wie hij is door zichzelf en anderen in het zijnde te overstijgen.

Heidegger wil een ‘herstel’ van een oorspronkelijk humanisme zoals dat zich volgens hen voordeed bij Griekse denkers voor Socrates. Zij verwoorden, volgens Heidegger, impliciet een wezenlijke andere visie op het wezen van de mens die de laatste open doet staan voor de zijnshorizon waarover Heidegger spreekt. En hun denken is niet-metafysisch.  Omdat zij nog geen wetenschap kenden, moeten wij afstand doen van door de natuurwetenschappen gedicteerde opvattingen over natuur en leven. Deze Griekse denkers spreken over Physis, dat zoiets betekent als ‘natuur’. In hun tijd beschrijft het, aldus Heidegger, hoe de Grieken het zijn ervaren: als een uit zichzelf opkomen en heersen van de zijnde. Het is niet louter een biologisch begrip, maar omschrijft tevens de werking van natuurkrachten en ook de lotgevallen van goden en mensen. Het samenspel van al deze uiteenlopende fenomenen vormen tezamen de totaliteit van het zijn.

Heidegger haalt een ander presocratisch begrip van stal: Logos. Hij gebruikt het in zijn grondbetekenis van ‘verzameling’. Latere Griekse denkers en de Romeinen gebruiken Logos in de betekenis die nu gangbaar is: ‘woord’, ‘uitspraak’ of ”oordeel’. Daarmee wordt niet bedoeld dat iets uitgesproken wordt, maar dat een zaak zich aan de spreker openbaart. Plato en Aristoteles gebruiken Logos in deze zin en Heidegger wil ons nu wijzen op de in zijn ogen oorspronkelijke en wezenlijke betekenis ervan. En hij gebruikt fragmenten van vroege Griekse denkers, zoals Herakleitos, om aan te tonen hoe Logos begrepen dient te worden.

Volgens Heidegger is Logos is de oorspronkelijke verzameling van het zijnde in zijn totaliteit. Herakleitos beschrijft hoe de mens de Logos van het zijn ‘verstaat’ en dat alleen de mens dit kan verstaan. De mens behoort wezenlijk toe aan het zijn, dat zich voordoet als de verzameling van al het zijnden. Het toebehoren aan de Logos ‘weest’, opnieuw gebruikt Heidegger dat woord, in de betrekking tot de Logos en staat buiten de mens. Het is nog niet verworden tot een eigenschap van de mens, het is nog niet vervallen tot een rationaliteit die de mens bewust kan inzetten. Humanisten, aldus Heidegger, blijven blind voor dit gegeven in hun pogingen de veronderstelde menselijkheid van de mens een historische gestalte te geven. De ware menselijkheid ligt in de dynamische relatie tot het zijn en ligt nimmer vast. Heidegger stelt dat de mens zijn wezen voortdurend ‘op het spel zet’, sterker nog, de mens moet dit altijd op het spel zetten. Alleen dan is de mens werkelijk mens. En hij moet alle hoogdravende humanistische idealen achter zich laten. De mens moet zoeken wat het zijn hem toont: dan is het goed mogelijk dat het resultaat tegenvalt, maar anders zal de mens nooit tot volle wasdom komen.

Zowel Nietzsche en Heidegger hebben een kritische, zelfs vijandige houding tegenover het humanisme en motiveren dat door te beargumenteren dat het zijn van de mens wezenlijk open en onbepaald is. De mens bestaat niet, zou men in navolging van beide denkers kunnen zeggen. De idee een mensbeeld vast te leggen met een onwrikbaar, tijdloos en universeel waardenstelsel wijzen zij dan ook resoluut af. En een dergelijk waardenstelsel is de kern van elk humanisme. Humanisme is uiteindelijk onmenselijk juist omdat het geen recht doet aan de ‘onmenselijkheid’ van de mens.

 

Anders dan Nietzsche en Heidegger, gelooft Peter Sloterdijk dat het humanisme goede waarden belichaamt en deze behouden moeten blijven. Sloterdijk vreest echter dat de humanistische waarden uitgespeeld zijn en zoekt naar wegen hen wederom in onze maatschappij te verankeren. De mens dient op andere wijzen zijn gedrag en evolutie op een hoger plan te brengen.

In Du mußt dein Leben ändern formuleert Sloterdijk een dringend advies aan de mensheid, of in navolging van Immanuel Kant, een imperatief. De titel van het boek komt uit een gedicht van Rainer Maria Rilke, die daarin zijn esthetische ervaring beschrijft die het aanschouwen van een beschadigd borstbeeld van de Griekse God Apollo bij hem oproept. Het beeld vervult hem met kracht en een blijvend gevoel van schoonheid, maar tevens symboliseert het beeld een ideaal: juist het beschadigde onvolmaakte beeld belichaamt een boodschap van volmaaktheid die nagestreefd dient te worden. Het is een oproep aan zichzelf te werken. Het beeld is een toonbeeld van mannelijkheid en sportiviteit en roept de toeschouwer op niet te blijven leven zoals nu, maar te trainen. Volmaaktheid is onbereikbaar, maar wel een lovenswaardig en inspirerend streven. Je bent NIET wie je nu eenmaal bent, je kunt beter!

De mens moet zijn leven veranderen in het licht van de nakende mondiale economische en ecologische catastrofe. Sloterdijk geeft geen concrete adviezen of voorbeelden hoe dit te bereiken, het boek is geen handleiding, zegt hij, maar beoogt een omslag in het denken over de toekomst van de mensheid. In de loop van de twintigste eeuw is de ‘verticale ervaring’ vrijwel volledig verdwenen. De verticale ervaring zorgt ervoor dat de mens door persoonlijke oefening en ervaring, en op basis van generatie op generatie doorgegeven kennis zichzelf verbetert en overstijgt.  In westerse samenlevingen is de cultuuroverdracht van generatie op generatie in enkele decennia verdwenen en vervangen door een ”eenjarige cultuur”. Sloterdijk haalt in dit verband een gesprek aan met Chinese historici en filosofen over culturele ontwikkelingen in Europa. Zij begrijpen veel ontwikkelingen uit de Europese geschiedenis heel goed, maar snappen niet waarom zo veel cultuurgoed is verdwenen in Europa, zonder dat daarbij een catastrofe aan ten grondslag lag. In China vond de ‘Culturele Revolutie’ plaats, een bewuste poging oude culturele kennis en gedachtegoed te vernietigen en uit het collectieve geheugen te wissen. De Europeanen hebben dit voor elkaar gekregen zonder een vergelijkbare catastrofe.

Du mußt dein Leben ändern beschrijft over een tijdspanne van 3000 jaar hoe de verticale ervaring invulling krijgt. Uitvoerig wordt stilgestaan bij de vormings- en trainingsmethoden van de Grieken en de Romeinen en hoe boeddhisme, hindoeïsme en de monotheïstische godsdiensten mensen aanzetten tot ‘levenskunst’ en hen leren het hogere en het onbereikbare na te streven.  Sloterdijk noemt deze vormingskrachten ‘anthropotechnieken’. Dit begrip omvat zowel lichamelijke en geestelijke methoden waarmee mensen zich tegen bedreigingen ”immuun” kunnen maken. De mens wapent zich niet alleen zijn lichaam tegen oud worden en ziekte, hij ontwikkelt ook symbolische immuunsystemen en beschermingsrituelen. De verticale ervaring krijgt haar belangrijkste uitwerking in een ‘geestelijk oefensysteem’ dat abusievelijk wordt begrepen als ‘religie’. Sloterdijk beweert doodleuk en zonder enige ironie dat religies eigenlijk helemaal niet bestaan. Wanneer wij over religies spreken, bedoelen we in feite deze geestelijke oefensystemen.  Religies mogen dan, op het oog, bezig zijn met een ”comeback”, inhoudelijk hebben zij geen betekenis meer. Wat overblijft, is de ”techniek” en rituelen van de religie.

De verticale ervaring dient nu in ere hersteld te worden en Sloterdijk schildert in zijn boek hoe mensen door de eeuwen heen aan zichzelf gewerkt hebben en zich ‘geïmmuniseerd’ tegenover de buitenwereld. Het vermogen en de bereidheid daartoe ziet Sloterdijk als grote deugden. Zij zijn noodzakelijke voorwaarden voor de verticale ervaring. Daarnaast hebben deze deugden de omstandigheden gecreëerd waarin transcendentie en religie konden ontstaan, belangrijke ‘trainingsvormen’ die de mens zo geholpen hebben zijn bestaan te verbeteren en te verlichten. De mens is een wezen, aldus Sloterdijk, dat tot oefening veroordeeld is en deze oefeningen werken voortdurend in op de omstandigheden van zijn leefwereld. Alleen zo zal de leefwereld verbeterd worden. Anders dan men zou verwachten, valt Sloterdijk niet het individualisme aan. Immers, hij stelt toch dat de ‘mechanismen’ voor cultuuroverdracht niet meer bestaan?

In weerwil van wat men zou verwachten, verdedigt Sloterdijk het individualisme. De vroegere trainingsvormen zoals ascese en meditatie, waren voorbehouden aan monniken en geestelijken. Later bedienden kunstenaars en wetenschappers zich veelvuldig van dezelfde technieken. En dit zijn, aldus Sloterdijk, praktijken die men in afzondering bedrijft, dus als individu. Sloterdijk gaat nog een stap verder en bepleit een rehabilitatie van ‘egoïsme’. Hij wijst op het falen van de ideologieën in de twintigste eeuw dat tot gruwelijke misstanden heeft geleid. Wil men de wereld veranderen, dan moet men bij zichzelf beginnen. Indien men de wereld wil veranderen vanuit een ‘hoger’ idee, dan vervalt men al gauw in terreur en de massamoorden die we kennen uit de twintigste eeuw. De ervaringen met fascisme en stalinisme leren ons deze weg niet meer te bewandelen.

Volgens Sloterdijk is de ‘klassieke’ oefencultuur die geestelijke en individuele verheffing centraal stelde, vervangen door een ‘trainingshype’ die slechts de huidige arbeidsdeling in de samenleving dient. Nu is onze tijd wel degelijk doortrokken van trainingen en cursussen, zo is voor een doorsneeloopbaan zo’n slordige twintig jaar opleiding nodig en dient men zich voortdurend bij te scholen. Maar dit is training louter gericht op voorbereiding op de arbeidsmarkt en heeft een economisch motief. Weliswaar is hiermee het ideaal van de Verlichting, pedagogisering van de samenleving, verwezenlijkt, maar heeft zij geen intrinsieke waarde: zij levert geen ”betere” mensen op, en, zo mogelijk nog ernstiger, het leefmilieu wordt hierdoor verder onder druk gezet. Het is gericht op een groter economisch rendement, op een betere concurrentiepositie en ”meetbare” resultaten. Deze oefeningsvormen zullen de mens niet helpen de planeet te redden van de ondergang.

Als een theoreticus die zich graag met wereldwijde problemen bezighoudt, wil en kan Sloterdijk de schijnbaar naderende ecologische en economische catastrofe niet negeren. Daarom pleit hij voor een ‘uitbreiding van de oefenzone’, teneinde een ‘co-immunisme’ te creëren dat een mondiale bescherming biedt tegen de gevaren die de planeet bedreigen. Typisch voor Sloterdijk bedenkt hij een woordspeling op ‘communisme’, het meest prangende voorbeeld van een falend collectief systeem, om aan te geven wat er nodig is. Daarnaast is het een ironische verwijzing naar Heidegger die grossierde in dit soort woordconstructies en veel neologismen bedacht. Maar Sloterdijk bepleit wel degelijk een structuur die de mens schoolt in beschermingsmechanismen die ons overleven waarschijnlijker maken. Anders dan vroeger kan een individu niet langer een voordeel behalen op de ander door zich beter te trainen. We hebben nu een gezamenlijk belang ons te trainen en ons te wapenen tegen een gevaar dat een ieder bedreigt.  Om dat bereiken is er een oefencultuur nodig die wortelt in ascese en anthropotechnieken ontwikkelt die aansporen tot een ecologische en economische verantwoorde levensstijl.