‘Der achtzehnte Brumaire des Louis Bonaparte’ van Karl Marx: sociologisch juweel

 

 

 

Marx_Brumaire_1885

Tussen december 1851 en maart 1852 schrijft Karl Marx ‘Der achtzehnte Brumaire des Louis Bonaparte’, een absolute klassieker in de geschiedenis van de sociale wetenschappen. Daarnaast is het werk van hoog literair niveau, een hoogtepunt in de Duitse taal.

Het is moeilijk iets over Marx te zeggen, en ik voel mij daarbij bezwaard. Men zou kunnen argumenteren dat er een directe weg is vanaf Marx via Lenin en de gruwelijke bolsjevistische revolutie naar de verschrikkingen van de Goelag. Velen hebben gewezen op de immorele en autoritaire trekken in het werk van Marx. En daar ben ik volledig mee eens.

Mij zeer dierbare landen als Rusland en Oekraïne lijden nog altijd onder de communistische erfenis en het misbruik dat daar gemaakt is van marxistisch geënte theorieën en voorspellingen. Veel van de sociale problematiek die in deze landen speelt, is een gevolg van de communistische dictatuur. Als we kijken naar het Oekraïne-conflict, Poetins visie op Oekraïne is grotendeels gebaseerd op de sovjetinterpretatie van de geschiedenis van dat land. Sovjethistorici hebben altijd de ‘gezamenlijke’ geschiedenis van Rusland en Oekraïne benadrukt en negeren bijna volledig andere belangrijke invloeden en tradities die de moderne Oekraïense maatschappij hebben vormgegeven.

Voordat ik iets over het boek van Marx ga zeggen, laat het duidelijk zijn dat ik het niet eens ben met Marx’ visie op de geschiedenis en mensheid. Ik heb hoge achting voor zijn intellectuele ideeën en erfenis, maar ben fel gekant tegen zijn conclusies.  En ik spreek louter over Marx zelf en niet over marxisme. Dat is in mijn ogen een schadelijke, bijna kwaadaardige ideologie, zoals alle ideologieën destructief zijn en het echte en creatieve denken over maatschappelijke vraagstukken verlammen.

Maar ik moet toegeven dat ik een mate van bewondering voor Marx koester. Voor mij bestaan er twee ‘Marxen’: de eerste Marx die de komst van een klasseloze samenleving voorspelde en de tweede die een van de scherpste en invloedrijkste maatschappelijke analyses maakte ooit. Een aantal cruciale onderdelen uit deze analyse zijn nog altijd steekhoudend en hebben in de sociale wetenschappen op gebied van onderzoek en methodologie een blijvende betekenis. Ik sluit mij aan bij wat de Vlaamse politicus en burgemeester van Leuven, Louis Tobback, heeft gezegd: ‘Ik beschouw de economische analyse van Marx nog altijd als valabel’. Het is deze ‘Marx’ die ik bewonder en ons respect verdient, laten we de andere ‘Marx’ maar vergeten!

 

 

kmlb1

Terug naar ‘Der achtzehnte Brumaire des Louis Bonaparte’. In 1852 komt de neef van de grote Napoleon aan de macht in Frankrijk. Laatstgenoemde had in 1799 de macht veroverd op een datum die ‘achttiende Brumaire’ heette naar de jaartelling die Franse Republiek destijds hanteerde. Aan deze zaken ontleent het boek zijn titel. Door de staatsgreep van Louis Bonaparte wordt Frankrijk weer een monarchie.

Tussen 1848, het jaar van de mislukte revolutie, en 1852 baant Louis Bonaparte zich een weg naar de macht. Marx beschrijft in zijn boek hoe dit in zijn werk gaat en toont ons de machinaties en intriges van Louis Bonaparte. Dit is op zich niet erg origineel en vele andere auteurs hadden dit al eerder gedaan. Dus rijst de vraag, waarin onderscheidt Marx’ boek zich van andere?

De methode en theoretische aanpak van Marx maken van zijn boek een meesterwerk. Hij besteedt nauwgezet aandacht aan de rol van sociale groepen (later werd dat ‘klassen’ genoemd) die betrokken zijn bij het ontvouwen van de gebeurtenissen: de adel, de bureaucratie, de burgerij (‘de bourgeoisie’), het leger, de boeren en de arbeiders (‘het proletariaat’). Marx laat zien hoe een aanvankelijke volksopstand uitmondt in een herstel van de oude machtsstructuren en verklaart daarbij waarom zaken de wending nemen die zij nemen.

Volgens Marx drijven sociale conflicten de geschiedenis voort. Hij gelooft ook dat handelen het menselijk bewustzijn bepaalt en niet andersom. Dat zijn geen unieke gedachten, ook niet in de tijd van Marx, maar hij ontwikkelt een theoretisch kader waarin oorzaak en gevolg van sociale conflicten geplaatst en geanalyseerd kunnen worden. Zijn theorie behoort tot de klassieken van de sociale wetenschap en heeft velen, ook niet-marxisten, beïnvloed en hen uitgenodigd wezenlijke bijdrages te leveren aan de analyse van historische gebeurtenissen. Tot op heden blijft het denken van Marx een inspiratiebron.

Marx observeert met precies oog de sociale, economische en politieke omstandigheden van een gegeven historische situatie en beschrijft meesterlijk hoe deze verschillende ‘variabelen’ invloed uitoefenen op de afloop ervan. Hij legt het fundament voor een discipline die we heden ten dage kennen als sociologie. Sociologie wordt vaak gedefinieerd als de studie van het gedrag van de mens, zowel individueel als in groepsverband. In dat geval is ‘Brumaire’ een lichtend voorbeeld van deze definitie en een van de eerste en beste pogingen een sociologische analyse te maken. Marx is daarmee een van de grondleggers van de moderne sociologie.

Vaak word zijn naam geassocieerd met het citaat ‘productiewijzen en historische structuren bepalen de loop van de geschiedenis’, maar ‘Brumaire’ toont dat individuen historische gebeurtenissen vergaand beïnvloeden en dat Marx dit heel goed begrijpt. Hij plaatst daarbij gewoonweg een groot accent op de omstandigheden die zij van vorige generaties hebben geërfd.

Minstens even belangrijk aan ‘Brumaire’ is de elegante en ironische literaire stijl waarin het geschreven is. Het wordt terecht gerekend tot een van de beste boeken van de negentiende eeuw. Marx wordt vaak weggezet als een slechte en slordige schrijver, maar daar ben ik het niet mee eens. Op zijn beste momenten is hij een voortreffelijke schrijver en wordt de lezer ‘de lectuur ingezogen’. Soms is zijn stijl duister en mysterieus, een bijna ‘gotische’ vorm van literatuur. Ik moet nu eerlijk zijn: de eerste keer dat ik het las, zag ik dat niet. Het is Duits uit de negentiende eeuw en Marx’ stijl is verre van eenvoudig. Maar bij herlezingen begon ik de literaire merites van het boek te herkennen.

Vaak zijn boeken die vanuit rancune of teleurstelling zijn geschreven, boeiende en meeslepende boeken. Dit geldt zeker voor ‘Brumaire’. Marx was teleurgesteld over de afloop van de 1848-revolutie en had een sterke intrinsieke motivatie uit te zoeken waarom dat het geval was. Marx is vaak ook scherp en sardonisch wanneer het om personen gaat die hij niet prettig vindt of gewoon een hekel aan heeft. Louis Bonaparte heeft hij duidelijk niet hoog zitten en dat steekt hij niet onder stoelen of banken. Dat is een negatieve invalshoek, maar voedt in dit geval wel zijn inspiratie voor zowel de inhoud evenals voor de stijl van het boek.

Een ander voorbeeld hiervan is Trotski’s ‘De Revolutie verraden’, waarin de later in Mexico vermoordde animator van de Oktoberrevolutie in 1917  Stalin en zijn rol bij de opbouw van de Sovjetunie scherp veroordeelt. Men proeft de rancune van Trotski tegen Stalin op iedere bladzijde en dit levert bij tijd en wijle schitterende teksten op.

Marx is een groot kenner van klassieke literatuur en zijn werk is bezaaid met honderden citaten van zijn favoriete auteurs (Shakespeare is zijn favoriete auteur). Geduldig legt hij zijn theorieën uit en ondersteunt de pointes van zijn theorieën met citaten. Wanneer Marx gepassioneerd raakt over een thema, gebruikt hij levendige en kleurrijke metaforen om de lezer te overtuigen.

Voor mij persoonlijk heeft Marx een allesoverheersende betekenis: wat er ook gebeurt in de wereld, bij elk politiek of sociaal conflict, de kwestie van sociale rechtvaardigheid komt altijd ter tafel. Natuurlijk, het begrip ‘sociale rechtvaardigheid’ is in de twintigste eeuw op gruwelijke wijze misbruikt. Maar geen staat, geen regering, geen enkele samenleving kan dit thema negeren en dat is voor mij zijn eeuwige betekenis: Marx formuleerde dit vraagstuk op een wijze die niemand hem ooit zal evenaren.

 

Ludwig Wittgenstein en W.F. Hermans

Ludwig Wittgenstein is een van de invloedrijkste filosofen van de twintigste eeuw. Hij heeft veel geschreven over de betekenis van taal en hoe taal wordt gebruikt om de werkelijkheid te beschrijven: de werkelijkheid is oneindig, taal is dat niet.

Wittgenstein stelt dat we alleen iets zinnig over de realiteit kunnen zeggen als we spreken over empirisch aantoonbare zaken. In zijn visie is dat waarmee wetenschap zich bezighoudt. Indien wij pogen iets waardevol en feitelijk te zeggen over niet-aantoonbare zaken, verliest taal zijn betekenis en kunnen we geen zinnige veronderstellingen maken. Wittgenstein komt dan tot de volgende uitspraak: over zaken waar we niets van afweten, kunnen we beter zwijgen.

Taal is ons beeld van de wereld en beschrijft het  beeld dat wij hebben van deze wereld, zonder daarbij die wereld te verklaren. De wereld bestaat uit verbanden tussen objecten en alleen wanneer wij deze verbanden zien, heeft de wereld betekenis. Hetzelfde geldt voor taal, volgens Wittgenstein. Taal bestaat niet alleen uit woorden, het is het verband tussen woorden dat taal waarde verleent en doelmatig maakt.

Volgens Wittgenstein zijn ethiek en religies bij uitstek thema’s waarover we geen waardevolle uitspraken kunnen doen omdat zij niet op feiten berusten of in de werkelijkheid waargenomen kunnen worden. Het zijn ‘metafysische’ zaken die wij niet kunnen verifiëren en ook taal faalt hierbij te helpen. Echter, dat verhindert ons niet over deze kwesties te speculeren. Met name de ‘latere’ Wittgenstein onderstreept het belang voor de mens over metafysische thema’s na te denken. Mensen voelen nu eenmaal de onweerstaanbare behoefte dit te doen en het heeft voor hen grote betekenis.

Wittgenstein is in veel opzichten een mysterieuze man die later in zijn leven tot een omslag in zijn denken komt. In zijn dagboeken refereert hij in toenemende mate aan religie en stelt dat geloven in God betekenis geeft aan het leven. Daarmee is religie een goede basis voor een praktische levensethiek. Het lijkt erop dat hij nu gelooft in een ‘metafysisch’ antwoord op onze wijsgerige levensvragen en dat religie wellicht het juiste antwoord hierop is. Wittgenstein zoek aansluiting bij Dostojevski’s uitspraak dat zonder God alles is toegestaan. God en religie geven richting en zin aan het leven.

Wittgenstein, Ludwig

Hoe verhoudt dit zich tot W.F. Hermans en zijn werk? In zijn boeken schijnen de personages elkaar vaak niet begrijpen en zij hebben een kijk op de realiteit die de feitelijke gang van zaken tegenspreekt. En taal lijkt deze misverstanden omtrent de werkelijkheid te vergroten. Hermans’ helden hebben geen grip op de gebeurtenissen en toevalligheden zijn van beslissende invloed. In zijn bekendste roman ‘De donkere kamer van Damocles’, gelooft het hoofdpersonage dat hij werkt voor het verzet en een oorlogsheld is. Echter, na de oorlog blijkt dat hij door de Duitse geheime dienst is gebruikt voor diens doeleinden

Dit is een ‘klassiek’ Hermans-thema: de held denkt de werkelijkheid te doorzien, maar in feite kent hij de reële wereld niet en vat de zaken om hem heen verkeerd op. Dit perspectief geldt ook voor de lezer: Hermans laat ongewis wat de motieven van Osewoudt zijn en als lezer kunnen wij hem niet doorgronden. De mens is uiteindelijk onkenbaar. Hermans speelt met de concepten van ‘goed’ en ‘kwaad’. Enerzijds bestaan goed en kwaad helemaal niet in de werkelijkheid, anderzijds zijn zij ‘uitwisselbaar’. Beide hebben geen enkele betekenis in de realiteit of kunnen niet gestoeld worden op enige ethische waarden die wij zouden hebben.

Hermans gelooft dat taal het enige is dat ons mensen onderscheidt van dieren en dat we slechts bij toeval hebben leren spreken. Het is een ander communicatiemiddel, niet meer of minder. Taal heeft echter wel grote gevolgen gehad voor het welzijn van mensen. Met taal trachten mensen de wereld om hen heen te begrijpen en ontstaan idealistische voorstellingen zoals religies en bijvoorbeeld ook marxisme om de wereld uit te leggen. Wij hebben God en andere goden gecreëerd en niet andersom. Door taal verdwijnt de ‘eenheid’ tussen mens en de wereld. Het begin van alle ellende…

Oorlog is een belangrijk decor in Hermans’ boeken. In oorlogstijd herstelt zich de ‘normale’ toestand en ‘versmelten’ mensen weer met de omgeving. Dit is een mogelijke verklaring waarom oorlog altijd weer oplaait en afschuwelijke misdaden worden gepleegd. ‘Kunstmatige’ concepten als ethiek en normatieve waarden vallen in oorlogstijd weg waardoor de mens zijn morele remmingen verliest en tot zijn ‘natuurlijke’ gedrag terugkeert.

wf hermans

Hermans schreef ‘De donkere kamer’ voordat hij Wittgenstein kende. Rond 1960 leert Hermans zijn werk kennen. Hij ziet veel van zijn eigen sluimerende ideeën over taal en communicatie bevestigd door het werk van de Oostenrijkse denker en beschouwt deze laatste als een bondgenoot. Toentertijd had  Wittgenstein nog geen grote reputatie  in de filosofie en was vrijwel onbekend in Nederland.

Hermans begint nu het werk van Wittgenstein intensief te bestuderen en schrijft een flink aantal artikelen over hem. Waren zijn eerste romans ‘bij toeval’ beïnvloed door Wittgenstein, nu zien we een structurele en blijvende invloed bij Hermans. Later vertaalt Hermans zelf Wittgensteins hoofwerk ‘Tractatus-Logico-Philosophiscus’ uit het Duits naar het Nederlands. De kritieken waren verdeeld over de vraag of Hermans een goede vertaling had geleverd, met name vanuit de academische filosofie was er veel kritiek, maar vrijwel allen concludeerden dat Hermans een prestatie van formaat had geleverd door Wittgensteins vage en duistere formuleringen te vertalen in begrijpelijke taal. Wittgenstein werd door deze vertaling een bekende filosoof in Nederland.