Dromen in het werk van Tolstoj en Dostojevski

Hoe gebruikten grote Russische schrijvers als Tolstoj en Dostojevski dromen in hun werken? We zullen zien dat in het dromen als verteltechniek veelvuldig en fijnzinnig voorkomen in de klassieke Russische literatuur. En door wie werden zij aangezet dromen te gebruiken, door wie zijn zij daarbij beïnvloed?  We bekijken eerst hoe dromen gebruikt zijn in de westerse literatuur en hoe filosofen en psychologen hen interpreteren

Dromen en culturen

Lucien Levy-Bruhl

Antropologen verklaren dat bijna alle culturen, er is haast geen enkele uitzondering, onderscheid maken tussen verschillende typen dromen. De Franse filosoof, socioloog en antropoloog Lévy-Bruhl beschrijft in zijn klassieke La Mentalité Primitive uit 1923 dat al bij primitieve volkeren er onderscheid wordt gemaakt tussen fictionele en ‘ware’, voorspellende dromen.

Plato en Aristoteles over dromen

De droom is een tomeloos wild beest dat in de slaap komt – Plato

Plato ( circa 428 – 348 v.Chr) was vooral geïnteresseerd in de invloed van dromen op het mentale en fysieke leven van een persoon en dacht dat gedroomde boodschappen signalen waren voor hoe iemand zijn of haar leven moest leiden. In zijn beroemde dialoog Phaedo noemde hij Socrates’ beslissing om voor kunst en muziek te kiezen het resultaat van een droom.

Plato meende dat de droom in de lever zetelde. Sommige dromen schreef hij toe aan de goden, andere aan wat hij in de Republica beschreef als een tomeloos wild beest dat tijdens de slaap opduikt.

Aristoteles

Droombeelden zijn metaforen voor andere situaties en beelden – Aristoteles

Aristoteles (384-322-v.Chr.) beschouwde dromen meestal niet als profetisch maar zag verbanden tussen dromen en herinneringen aan gebeurtenissen in het dagelijks leven van de dromer. Ook schreef Aristoteles over dromen die worden veroorzaakt door menselijke zintuigen. Als iemand het tijdens het slapen bijvoorbeeld erg warm krijgt, kan hij of zij gaan dromen van hitte of vuur.

Aristoteles was de voorloper van het wetenschappelijk rationalisme van de 20e eeuw met zijn stelling dat dromen opgewekt worden door louter zintuigelijke oorzaken. Aristoteles dacht dat metaforen essentieel waren voor droomanalyse. Hij suggereerde  dat droombeelden niet eenvoudigweg weerspiegelingen zijn van de dagelijkse wereld maar metaforen voor andere beelden en situaties. Dit standpunt vormt de basis van de moderne droomanalyse.

Nog voor Aristoteles beschouwde de geneesheer Hippocrates (circa 460-357 v.Chr.) – de grondlegger van de moderne geneeskunde – dromen als een diagnostisch hulpmiddel. Andere Griekse denkers sloten zich hierbij aan en zo werden veel oude Grieken medisch behandeld op basis van dromen over ziekelijke lichaamsdelen.

Odysseus

In de Odysseus spreekt Penelope over dromen zo:

Dromen zijn rare en verwarrende zaken: niet alles wat mensen erin zien, komt uit. Want er zijn twee poorten door welke zij tot ons komen. Degene die door de poort van gepolijst hoorn komen en degene die door de ivoren poort komen. De dromen via de ivoren poort bedriegen ons met loze beloftes die nooit vervuld worden. Terwijl de dromen die door de poort van gepolijst hoorn tot ons komen, de dromer vertellen wat er werkelijk gaat gebeuren.

De Bijbel

De Bijbel bevat vele soorten literaire dromen, waarbij direct geprobeerd wordt deze te interpreteren. Wanneer er sprake is van ‘goddelijke’ dromen, hebben zij een voorspellende betekenis en kondigen zij gebeurtenissen aan. Echter, heiligen en kerkvaders waarschuwen in hun preken en teksten dat alleen dromen, geïnspireerd door God en Zijn Engelen te vertrouwen zijn. De duivel kan de mensen ook laten dromen en op het verkeerde been zetten.

Tijdens de Middeleeuwen en de Renaissance zien we dromen vaak als allegorieën of als verteltechnieken. Dat zien we terug in Dantes Goddelijke komedie, Miltons Paradise Lost en ook veelvuldig in Shakespeare. Midsummer Night’s Dream draait om de afwisseling tussen droom en realiteit.

Filosofen tijdens de Verlichting tonen relatief weinig belangstelling voor het fenomeen dromen. De nadruk ligt op de rede en het verstand. Men wil met name een  geestelijke activiteit van de mens bestuderen: het denken, en negeert ‘irrationele’ zaken als dromen

Maar zoals Dostojevski zegt in Aantekeningen uit het ondergrondse:

Rede is een prachtig ding, dames en heren, maar het is slechts rede.

Tegen het einde van de 18e eeuw, met de opkomst van de Romantiek, beginnen zowel filosofen als dichters andere geestelijke activiteiten van de mens te onderzoeken: emoties, impulsen, intuïtieve perceptie, verbeelding, geheugen, fantasieën en ….dromen.

Von Schubert en Carus

Gotthilf Heinrich von Schubert schreef het invloedrijke ‘Die Symbolik des Traumes’

Twee Duitse dokters, Gotthilf Heinrich von Schubert en Carl Gustav Carus,  ontwikkelen theorieën over hoe de wisselwerking tussen bewustzijn en het onbewuste is en de cruciale rol van dromen daarin. Dit doen zij bijna tachtig jaar voor Sigmund Freud. Schubert stelt dat in een droom de ziel een hele andere taal spreekt dan in normale toestand.  Het onderbewuste volgt andere ‘wetten’ dan het bewustzijn en gebruikt metaforen en allegorieën om beelden uit te drukken.

Schubert is getroffen door de overeenkomst tussen de ‘taal’ van het onderbewuste, de droom, en hoe dichters en schrijvers de taal gebruiken. Hij komt tot de conclusie, onder invloed van de Romantiek en Sturm und Drang, dat het bewuste leven van de mens niet meer is dan een droom en het onderbewuste de werkelijke afspiegeling van de menselijke natuur.

Carl Gustav Carus

Carus stelt het nog duidelijker: als we de essentie van het bewuste leven van de ziel willen leren kennen, dan moeten die zoeken in de onderbewuste sferen van de menselijke ziel. Dromen, aldus Carus, zijn de geestelijke activiteit van het bewuste verstand van de mens tijdens de slaap. Daarom kunnen dromen voorspellend zijn. Het bewuste verstand van de mens komt tot conclusies tijdens de slaap die in het dagelijkse bestaan tijdens bewuste toestand niet te bereiken zijn.

Zowel Schubert als Carus wijzen op het sterke verband tussen droom en artistieke scheppingskracht. Mede onder hun invloed beginnen dichters en schrijvers hevig te experimenteren met dromen als literaire technieken in hun werken.

E.T.A. Hoffmann

Een van de bekendste hierbij, en zeer invloedrijk voor de Russische literatuur, is E.T.A. Hoffmann, die in zijn beschrijving van de dader, de misdadiger, ons laat zien hoe de dromenwereld en de werkelijke wereld verstrikt raken in het denken van de mens. Dromen constitueren een ‘tweede leven’. De ‘gespleten ziel’ en het dubbelgangersmotief, zo vaak gebruikt in literaire teksten, vinden veelal hun eerste toepassingen in het proza van Hoffmann.

E.T.A. Hoffmann

De roman is het bij uitstek geschikte stijlmiddel om dit uit te werken. In een roman kan een auteur niet alleen de uiterlijke wereld, maar ook de innerlijke wereld van zijn helden uitbeelden. Daarnaast kan de schrijver ons laten luisteren naar zijn helden, maar ook via hen tegen ons spreken. Hij kan via het onderbewuste van zijn helden ons dingen voorhouden en uitleggen wat de ware betekenis is van wat in de roman verteld wordt.

Het precies vastleggen van de realiteit werd gecomplementeerd door inkijk in de minder toegankelijke wereld van de ziel van de hoofdpersonages.

Oorlog en Vrede en Schopenhauer

In 1869, net na het voltooien van Oorlog en Vrede, beschrijft Lev Nikolaevitsj Tolstoj zijn ‘oneindige extase’ over de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer en noemt hem de ‘briljantste mens van allemaal’. In het bijzonder is Tolstoj gegrepen door Parerga und Paralipomena, een verzameling korte essays van Schopenhauer.

Arthur Schopenhauer

In een van deze essays werkt Schopenhauer zijn ideeën over dromen en hun betekenis voor ons bewustzijn verder uit. Zijn hoofdwerk, Die Welt als Wille und Vorstellung, duidt de dood als ‘de slaap die laatste is en zijn dromen, die dromen we nu’. Het moment van sterven lijkt op het ontwaken uit een zware droom. De dood is tegelijkertijd een nieuw begin, het ontluiken van een nieuw bewustzijn.

Schopenauer beargumenteert dat het beeldende element in onze dromen het normale voorstellingsvermogen van de mens ver te boven gaat. Een droom biedt ons helderheid en een levendige werkelijkheid, maar eveneens heeft hij een onmiskenbare gelijkenis met de waanzin.

De Duitse denker, heel goed bekend met Oosterse en Aziatische filosofieën en religieuze stromingen, concludeert dat de droom een bron van hernieuwd inzicht is en ons een intuïtieve perceptie geeft die we niet kunnen verkrijgen door onze zintuigen. Veel van deze idee vinden we terug in het hindoeïsme en boeddhisme.

Schopenhauer borduurt in zijn filosofie voort op de ideeën van Immanuel Kant, die stelt dat wij de wereld slechts begrijpen door categorieën die onze geestelijke capaciteiten toepassen bij het structureren van onze voorstellingen. Deze categorieën zijn onder andere ruimte, tijd en causaliteit. De realiteit achter onze subjectieve waarnemingen noemt Kant ‘Ding-an-sich’. Schopenhauer stemt in met Kant, maar stelt dat het begrip ‘ding’ geen betekenis heeft in de realiteit.

Het is louter ontsproten aan onze subjectieve waarneming, wij maken ‘dingen’. De werkelijkheid kan daarom geen ‘ding’ zijn, maar een onbegrensd fenomeen dat alles omvat. Dit noemt Schopenhauer ‘wil’. ‘Wil’ niet in de zin van naar iets verlangen of nastreven, maar een kracht die onze gehele bestaan doortrekt en voor de levensdrang zorgt.

Wij begrijpen deze wil beter als we bij ons zelf naar binnen kijken en ons richten op het bewustzijn. Door naar binnen te kijken, ‘schakelen’ we een aantal van de categorieën die onze waarneming toepast, uit en kunnen we dichter bij de objectieve werkelijkheid komen. De werkelijkheid heeft in Schopenhauers visie ook geen doel of betekenis van zichzelf.

Zowel Kant als Schopenhauer ontkent niet het bestaan van een objectieve werkelijkheid, zij stellen slechts dat ons denken over de reële wereld nooit losstaat van onze voorstelling van de wereld.

Oorlog en vrede

Tolstoj verwerkt een aantal ideeën dat doet denken aan Schopenhauer in de dromen die zijn personages beleven in Oorlog en Vrede. Een van de hoofdfiguren, graaf Andrej Bolkonski, droomt aan de vooravond van de slag bij Austerlitz over roem en glorie en ziet Napoleon als een belichaming daarvan. Dit zijn volledige bewuste gedachten en voorstellingen die Andrej zichzelf voorspiegelt.

Als hij dan tijdens deze slag gewond raakt, treft hem de ‘grijze lucht met voorbijtrekkende wolken’. In een halfbewuste toestand ervaart Andrej hoe rustgevend en inspirerend deze ervaring is en hoe nietig nu zijn vroegere ambities lijken.Het oneindige dat deze grijze lucht symboliseert, vervult hem met geestelijke verheffing. Ja, roept de graaf in extase, er is niet meer dan dat! Maar zelfs dat bestaat niet! Er is niets anders dan stilte en rust.

Vjatsjeslav Tichonov als prins Andrej Bolkonski in Oorlog en Vrede van regisseur Sergej Bondartsjuk. Deze film in vier delen won in 1968 de Oscar voor beste buitenlandse film.

Andrej hoort voor het eerst de stem van de dood en het lijden en begint de boodschap daarvan te begrijpen. Andrej komt in een lazaret terecht waar hij verder wegzakt in bewusteloosheid. Zijn koortsachtige dromen herschikken zijn gedachten over het slagveld, familie, roem, glorie en de betekenis van Napoleon. Zijn onderbewuste toont hem een Napoleon die de familie bezoekt en zijn onvrede uit over het rustieke samenzijn van de familie Bolkonski.

Andrej begrijpt nu in zijn droom dat de glorie van Napoleon gebaseerd is op het ongeluk en lijden van andere mensen. De omslag in zijn denken is teweeggebracht door het beeld van de rustgevende grijze lucht boven het slagveld.

Als Andrej zeven jaar later deelneemt aan de slag bij Borodino, is hij een wezenlijk ander mens. Voor de slag bij Austerlitz waren roem en glorie zijn drijfveren, nu is hij bereid de dood tegemoet te treden met kalmte, gesterkt door het idee dat zijn daden geen betekenis hebben, zij hebben geen invloed op de loop van de gebeurtenissen. Net zomin als de figuur van Napoleon iets voorstelt.

Tijdens de slag van Borodino raakt Andrej dodelijk gewond. Nu beleeft hij geen toestand van delirium zoals in Austerlitz, maar komt tot bewustzijn in een militair ziekenhuis. Daar ziet hij zijn rivaal in de liefde, Anatole Koeragin, die in de slag zijn been heeft verloren. De grote liefde van Andrej, Natasja Rostova, heeft haar hart verslingerd aan deze aristocratische charmeur Koeragin.

Andrej benadert hem echter met warmte en genegenheid. De slag en de heldenstatus die hij daar had willen verwerven, spelen geen enkele rol meer in zijn bewustzijn. De naderende dood stemt hem mild en geeft hem inzicht in de ware belangrijke zaken van het leven. Nu is zijn bewustzijn nog bezig met ‘gedachten’ en deze gedachten leiden tot niets. Andrey kan nu nog niet zijn naderende dood verzoenen met zijn brandende liefde voor Natasja en haar levenslust. Uiteindelijk valt de gewonde graaf in slaap.

Als Andrej opnieuw droomt, ziet hij zichzelf liggen in zijn eigen kamer met zijn wond volledig genezen. Hij ziet om zich heen mensen die over alledaagse zaken spreken en dan de kamer uitlopen. Hij raakt geobsedeerd door de deur die naar zijn kamer leidt. Nu staat hij op van zijn bed om te deur op slot te doen. Op dat moment realiseert hij zich dat de dood achter de deur staat en ieder moment kan binnenkomen.

Dan treedt hij binnen…Als Andrej sterft in zijn droom, wordt hij wakker en herinnert hij zich dat hij lag te slapen. Hij denkt bij zichzelf: Ja, het was de dood! Ik ging dood en werd wakker. Ja, de dood is een ontwaken!

Wat hij rationeel niet kon vaststellen, gebeurt nu in twee stadia van bewusteloosheid en slaap. Tolstoj toont het geestelijke veranderingsproces dat zich in zijn hoofdpersonage afspeelt aan de hand van twee dromen: de eerste op het slagveld van Austerlitz, wanneer hij de grijze lucht ziet, en de tweede na de slag bij Borodino, waar hij de dood kalm tegemoet treedt. Andrej Bolkonski ‘ontwaakt’ uit het leven en doorgrondt het mysterie van de dood. Zijn louteringsproces is voltooid.

De doodsdroom van Andrej Bolkonski uit Oorlog en Vrede behoort tot de ontroerendste en aangrijpendste scènes uit de wereldliteratuur. Het is hier waar de Russische grootmeester van het proza zijn literaire genialiteit ten volle toont. In het simpele, maar magnifieke, melodieuze en rimpelloze Russisch van Tolstoj is Oorlog en Vrede een onvergetelijke ervaring die de lezer loutert en hem het gevoel geeft een ander mens te zijn geworden. Dit boek kleurt de ziel.

Door te concentreren op de innerlijke beweging en kracht van het denken zelf komen we zo dicht als het kan bij de reële werkelijkheid en kunnen we de wil, de substantie die ons het leven schenkt, ervaren. Voor Tolstoj is het leven als het ware een ‘morele dood’ en die is veel ernstiger dan het sterven zelf.

Dostojevski; Misdaad en straf

In de memoires van zijn laatste vrouw, Anna Grigorieva Dostojevskaja staat het volgende:

A.G: Ik ben zo blij in zo’n goede stemming te zien. Is er iets speciaals met je gebeurd?

F.D.: Ja, inderdaad! Vannacht had ik een schitterende droom.

A.G.: Ooh, dat verklaart het! en ze begint te lachen.

F.D:  Lach alsjeblieft niet! Ik hecht zeer grote waarde aan dromen. Mijn dromen zijn altijd profetisch.

Anna Grigorjevna Dostojevskaja, geboren Snitkina, de laatste vrouw van Dostojevski.

Voor Dostoejevski symboliseren dromen dat gedeelte van de menselijke ervaring waar zijn tijdelijke bestaan versmelt met het eeuwige. Waar het tijdelijke opgeslokt wordt door de oneindige wereld van ervaring en verlangen

In een klassiek studie van Janko Lavrin uit 1920, Dostojevski en zijn schepping, staat:

Lang voordat Freud en Jung wilden vaststellen wat de werkelijke aard van dromen is en aantonen wat hun betekenis is, deed Dostojevski dit al en liet hij zien hoe dromen symbolische projecties zijn van ons onderbewuste in het bewustzijn.

Michail Bachtin

Michail Bachtin, beroemd linguïst en filosoof, en schrijver van de beroemdste studie over het werk van Dostojevski, Problemen van Dostojevski’s poëzie, schrijft dat geen enkele schrijver in de Europese literatuur zo veel gebruikt maakt van dromen in zijn proza als Dostojevski.

Via E.T.A. Hoffmann kent Dostojevski Schuberts theorie over het onderbewuste. Voor Dostojevski staan twee zaken centraal bij dromen:

hoe komt het dat in dromen rede zich aanpast aan het absurde? Er is een sprake van een ‘gewild’ uitstel van het ongeloof, die in bewuste toestand nooit geaccepteerd zou worden.

en ten tweede, waarom is er het gevoel dat je met je droom een gevoel achterlaat dat er een onopgelost mysterie is? Dostojevski is ervan overtuigd dat dromen diepgaande waarheid bevatten.

Een werkelijk idee dat tot het ‘echte’ leven behoort dat al het tijdelijke overstijgt. Deze waarheid openbaart zich echter alleen in het onderbewuste en is ontoegankelijk voor het bewuste verstand. Ondanks dat we ons dromen kunnen herinneren, helpt het geheugen ons echter niet dromen te begrijpen. Het verstand kan dromen niet verklaren.

Michail Bachtin. Hij schreef een aantal invloedrijke studies over het proza van Dostojevski.

Dat begrijpt Dostojevski ook, en laat zien dat zijn hoofdpersonages lijden onder hun dromen en onbegrip, MAAR tegelijkertijd laat Dostojevski aan de lezer zien wat de dromen inhouden en wat hun betekenis voor het plot van de roman is. Via de dromen van de helden begrijpt de lezer wat er gaande is. Dromen zijn dus een wezenlijk onderdeel van de structuur van de roman en geven de verhaallijnen betekenis. Dromen zijn voor Dostojevski een esthetische structuur, die net zoals kunst, literatuur, die uitdrukking geven aan de totale ‘realiteit’ van de mens.

Van E.T.A. Hoffmann neemt Dostojevski een ander stijlmiddel over: ‘overdrachtelijk fantaseren’.

De auteur toont de held in een dwangtoestand waaruit deze zich met samenhangende wensvoorstellingen wil bevrijden. Dit is in de negentiende eeuw een populair stijlmiddel, in de hand gewerkt door de publicaties van romans in gedeelten in feuilletons. Misdaad en straf wordt ook zo gepubliceerd en Dostojevski moet de aandacht van de lezer vasthouden door dergelijke ‘kitschelementen’ en ‘cliffhangers’ te introduceren.

Anders dan Toergenev en Tolstoj is Dostojevski niet financieel bemiddeld en is hij afhankelijk van de feuilletons om zijn literaire werk onder de aandacht te brengen. Dromen zijn natuurlijk uitstekende stijlmiddelen de spanning in een verhaal te verhogen en te wijzen op verschillende mogelijke uitkomsten. En daarmee uiterst geschikt voor een feuilleton.

Dromen, koorts en noodtoestand

Misdaad en straf is een studie van Raskolnikovs geweten en vanaf het moment dat we hem gaan volgen, vlak voor de moord, zien we hem afwisselend in fantasieën en dromen vervallen. De roman is een lang ‘gedachtenspel’ van Raskolnikov en in die zin een ‘overdrachtelijk fantaseren’. Een terugkerend thema in het boek is ziekte, of de ziekelijke toestand van Raskolnikov. Voortdurend heeft hij koorts of bevindt hij zich in ‘een koortsachtige schemering’.

Friedrich Schillers dissertatie

De voorkeur van Dostojevski voor de uitzonderlijke toestand bij mensen is terug te voeren op zijn liefde voor de Duitse schrijvers Friedrich Schiller en E.T.A Hoffmann. Schiller gelooft dat ‘zielenpijn’ samenvalt met de lichamelijke toestand van de held in de roman.

 

Friedrich Schiller was militair arts. Zijn disseratie ”Über den Zusammenhang der tierischen Natur des Menschen mit seiner geistigen” had grote invloed op ”Misdaad en Straf” van Dostojevski.

Dostojevski verdedigt zich tegen aantijgingen dat hij onrealistische personen schildert met het argument dat hij veel van zijn materiaal uit de praktijk haalt, onder andere uit criminologische studies en journalistieke artikel over misdaad. Schiller, die medicijnen gestudeerd heeft, schrijft zijn dissertatie over misdadigers en hun motieven. Deze verhandeling heeft diepgaande invloed op Dostojevski.

Wanneer de geest ‘onwelgevallige instructies’ doorgeeft aan het brein, reageert het lichaam met ziekteverschijnselen. En deze ziekelijke toestand creëert een vals bewustzijn, ondermijnt het vermogen situaties helder te beoordelen, het vertroebelt de geest. Schiller zoekt bij misdaden die uit passie gepleegd zijn naar de motieven die het menselijk gedrag verklaren. Dit lijkt op wat wat Nietzsche zegt over misdadigers: sterke mensen die op een gegeven moment ‘ziek’ geworden zijn omdat hun creativiteit gebreideld wordt.

Die combinatie van koorts en het zweven op de grens van het bewuste en onderbewuste leiden tot de verschillende dromen bij Raskolnikov.

Een figuurlijke droom en vier ervaringsgerichte dromen

Hij heeft een figuurlijke droom hoe hij de woekeraarster vermoordt, om vervolgens in vier verschillende ervaringsgerichte dromen te zien hoe zijn geweten hem wijst op de emotionele en morele gevaren en gevolgen van zijn daad. De vier ervaringsgerichte dromen zijn elk een reconstructie van de moord die Raskolnikov gepleegd heeft en geven via symbolen aan dat Raskolnikov gefaald heeft. Zij zitten vol met religieuze symbolen en verwijzingen die de lezer laten zien dat Raskolnikov moreel de verkeerde keuzes heeft gemaakt

De dromen tonen hem, in de visie van Dostojevski, de logische consequenties van zijn daad en doen hem, samen met de lezer, inzien dat hij op het foute pad zit. Hij is niet de sterke mens die boven de wet staat en zijn creativiteit ongebreideld heeft toegepast. Hij is slechts een moordenaar en egoïst die zijn hachje probeert te redden. Maar de dromen bieden hem ook een uitweg: er is verzoening en vergeving mogelijk.

Vlak voordat Raskolnikov zijn daad bekent, leest Sonja Marmeladova hem het verhaal over de wederopstanding van Lazarus voor. Het symboliseert de wens en het verlangen bij Raskolnikov zelf een morele wederopstanding te beleven en is in zoverre een wens uit zijn door gewetensnood onmogelijk gemaakte situatie te komen. Sonja laat hem eveneens inzien dat hij juist ‘door niet over de grenzen heen te stappen’ een moreel bewustzijn heeft behouden en dus niet verloren is.

 

 

Was ist das, eine freie Gesellschaft?

 

 

Weil es die Schönheit ist, durch welche man zu der Freiheit wandert
– Friedrich Schiller

 

 

John Rawls

Der amerikanische Philosoph John Rawls schreibt in seinem Buch A Theory of Justice, dass Gerechtigkeit wichtiger ist als das Richtige und Schöne. Das Buch, publiziert in 1971, machte ihn weltberühmt und sein Ruhm dauert bis heute an. Es beherrscht noch immer die philosophischen und politischen Diskussionen darüber, wie Gerechtigkeit und Freiheit in einer Gesellschaft zueinander stehen sollten. Sogar in den neuesten Rundfragen unter Fachphilosophen aus der ganzen Welt wird A Theory of Justice immer wieder als das bedeutendste einflussreichste philosophische Buch des zwanzigsten Jahrhunderts genannt.

Er bedenkt ein ganz interessantes Gedankenspiel: Stellen sie sich vor, wir befinden uns hinter einem ‚‘Schleier des Nichtwissens‘ und wir bekommen den Auftrag eine ideale Gesellschaft auszudenken. Falls man nicht weiß, welche Position man bekleidet in solch einer Gesellschaft, wie sollte sie dann aussehen?

Bist du Mann oder Frau, reich, arm, schwarz, weiß, heterosexuell oder homosexuell? Das alles ist unbekannt. Und noch wichtiger, all diese Umstände sollten die Chancen und Voraussichten einer Person nicht positiv oder negativ beeinflussen. Rawls sagt: eine Gesellschaft ist gerecht, wenn man sie auf jeder Ebene betreten möchte.

Die zwei Grundprinzipien dieser ‚‘Urausgangsstellung‘, wie Rawls sie nennt, sind für jeden die gleiche Freiheit und Schutz gegen Staatswillkür, so lange diese die Freiheit des anderen nicht einschränkt. Rawls nennt es ‚‘das Gleichheitsprinzip‘‘, und sie ist wichtiger als das zweite Prinzip: Es heißt, Ungleichheit in Einkommen und Reichtum sei erlaubt unter der Bedingung, dass diese Unterschiede zugunsten der ärmsten ausfallen.

In unserer Gesellschaft würde das bedeuten, dass die extravaganten Gehaltserhöhungen der Bankdirektoren ausgeschlossen sind, weil nicht klar ist wie die niedrigen sozialen Schichten davon profitieren. Dieses Beispiel zeigt wie wertvoll die Theorie Rawls ist und es wirkliche interessante Anstöße zu gesellschaftlichen Debatten gibt.

Immanuel Kant

Rawls folgt in großem und ganzem seinem philosophischen Lehrmeister Immanuel Kant, dem ‚‘Vater‘ der Aufklärung. Kant untersucht wie der Mensch zu Erkenntnissen kommt und stellt fest, dass die menschliche Natur ein selbständiges und moralisch richtiges Urteil ermöglicht. Der Mensch sei in der Lage seinen Verstand ohne äußere Lenkung zu benützen, und befreit sich damit von Gott und der Natur im Leben. Rawls ‚‘Schleier des Nichtwissens‘‘ ähnelt der kantischen apriorischen Erkenntnis. Darüber hinaus knüpft Rawls bei einer der einflussreichsten philosophischen Ideen der ganzen Geschichte an: des Sozialvertrags, wie er entwickelt wurde von Jean-Jacques Rousseau und auch Thomas Hobbes.

Das Menschenbild Rawls ist abstrakt und höchst positiv. Wie sehr auch seine respektvollen, rationalen und präzisen Auseinandersetzungen mir in unserer, von überhitzten, peinlichen und unverschämten Debatten, geprägten Zeit gefallen, seine Ideen scheinen mir auch unerreichbar. Und ist die gerechte Gesellschaft von Rawls wirklich was wir uns wünschen? Liegt das Ziel des Lebens vielleicht nicht in der Gerechtigkeit, falls sie sich überhaupt realisieren lässt?

Als überzeugter klassischer Sozialdemokrat möchte ich gerne glauben, dass Chancengleichheit und Freiheit zu vereinigen sind und Rawls‘ Lehre ist ein bewundernswerter Versuch genau das zu ermöglichen. Aber am wichtigsten ist sein Stil und die Respekt, womit er die Standpunkte anderer behandelt. Die gerechte Gesellschaft würden wir meiner Sicht nach niemals erreichen und sollte auch nicht erreicht werden. Aber Rawls‘ Versuch führt dazu, dass wir immer darüber nachdenken was fehlt in der Gesellschaft, wie wir Menschen in Not helfen können.

Mit Hannah Arendt sage ich, dass Pluralismus und Natalität für eine Gesellschaft die entscheidenden Phänomene sind. Jeder Mensch, so argumentiert sie, kann durch eine einzigartige Handlung eine neue wertvolle Entwicklung in Gang setzen. Und ein Menschenbild gibt es nicht, es gibt nur Menschen. Die Handlung an sich ist wichtiger als das Ziel der Handlung. Gesellschaft und Mensch sind keine ‚Projekte‘‘, man kann sie niemals endgültig vollenden oder konstruieren. Die Gesellschaft soll eine offene Debatte organisieren und jedem den Raum gewährleisten seine Handlungen zu zeigen, damit ein Ideenreichtum entsteht. Das ist was Arendt unter einer idealen Gesellschaft versteht.

Hannah Arendt

Wie Hannah Arendt hervorragend in ihren klassischen Werken wie The Human Condition und On The Origins of Totalitarianism gezeigt hat, endet jeder Entwurf in einer Katastrophe. Schauen Sie mal auf das zwanzigste Jahrhundert! Die ‚‘Kinder der Aufklärung‘‘, Sozialismus und Kommunismus, sie haben in ihrer Suche nach Gerechtigkeit und Gleichheit, zu schrecklichen unfassbaren Verbrechen geführt. Die Väter dieser Lehren betrachteten sich selbst als Diener der Vernunft und Wissenschaft.

Friedrich Schiller bewundert die kantische Lehre, aber findet sie auch kalt und abstoßend. Die Freude am Leben fehlt komplett bei Kant, so Schiller. Die bürgerliche Gesellschaft mit ihrer Arbeitsteilung ist dem letzten ein Übel. ‚‘Alles steht unter dem Diktat der Nützlichkeit‘‘, sagt Schiller. Der Mensch kennt das Körperliche und das Sinnliche und sie sind voneinander abhängig, später wird Schiller sprechen über den Stoff- und Formtrieb als wesentlichen Bestandteil des seelischen Lebens der Menschen.

Das Tier im Menschen ist stark und muss gezähmt werden, Schiller weiß das genau, und der politische Kampf sei nötig. Das Böse im Menschen muss beseitigt werden. Anfangs begrüßt Schiller die Französische Revolution, wenn sie aber umschlägt in ein Terrorregime, begreift er, dass politischer Freiheitskampf den Menschen nicht innerlich befreit. Das Scheitern der Französischen Revolution beweist für Schiller, dass Aufklärung und Wissenschaft das Wesen des Menschen nicht ändern, sie schaffen nur eine ‚‘theoretische Kultur‘.

Mit innerlicher Befreiung meint Schiller, dass der Mensch seine Triebe wie Sexualität, Aggression, Konkurrenz und Verfeindung überwindet. Andererseits braucht der Mensch sie. Sie besorgen ihm seine Inspiration, seine Ideen und Phantasie. Wenn die menschlichen Triebe fehlen, verliert der Mensch seine Seele.

Die Gesellschaft muss einen Weg finden äußere und innerliche Freiheit mit einander zu vereinigen. Wie macht man das? Schiller sagt: im Spiel! Der Weg von der Natur zur Kultur führt über das Spiel. Rituale, Tabus und Symbolisierungen, sie haben dem Menschen geholfen die schädlichen Folgen seiner Triebe zu sublimieren und in richtige Kulturerrungenschaften umzugestalten. Zu gleicher Zeit ermöglichen sie Kunst wie Literatur, Musik und Theater, die Träume und Phantasien erlauben und beschreiben, ohne welche der Mensch nicht leben kann.

Und das Spiel schöpft wirkliche gesellschaftliche Freiheit. Der Mensch, ein gefährliches Tier, kann im Spiel mit anderen zusammenleben. Hölderlin, Hegel, Marx, Max Weber, George Simmel und natürlich auch Sigmund Freud sind von diesem klassischen Schiller’schen anthropologischen Gesetz beeinflusst worden und haben es weiter ausgebaut. Die moderne Gesellschaft mit der Arbeitsteilung ist reicher und komplexer, dennoch blockiert sie für den einzelnen Menschen die Entfaltung seiner Kreativität und künstlerischer Kräfte.

Friedrich Nietzsche

Wenn Nietzsche sagt, dass wir das ‚nicht festgestellte‘ Tier sind, erinnern wir uns Schillers Worte. Nietzsche glaubt, dass Liberalismus, Sozialismus und Humanismus alle eine säkulare Übersetzung von christlichem Gesetz sind, alle Menschen wären gleich. Nietzsche glaubt nicht, dass wir unsere Triebe überwinden, nein, sie entscheiden was mit uns passiert. Hinter den Motiven, die uns hervortreiben, steht kein autonomes Subjekt. Wenn der Mensch handelt, übernimmt eine dieser Motive die Regie. Das Bewusstsein ist eine Vielfalt von personenartigen Kräften, wir können das nur in geringem Maße lenken.

Aber auch für Nietzsche gilt, dass der Mensch seine volle schöpferische Größe in einer bestimmten Form des Spiels erreicht: in der Musik. Wenn Schiller spricht über den Stoff- und Formtrieb, dann meint Nietzsche Dionysos und Apollon. Der Gott der Ekstase, Dionysos, begegnet Apollon, Gott der Ordnung und Klarheit, in der Musik. Die Musik verführt und schöpft eine höhere Ebene des Bewusstseins und gibt dem Menschen eine Möglichkeit sein Leben innerlich zu erneuern und Freiheit zu erleben.

Mit Kant und Rawls sagen wir, dass Menschen sich vorstellen können wie eine gerechte Gesellschaft aussehen sollte und wir uns als Menschen moralisch benehmen sollten. Mit Hilfe von liberalen und humanistischen Ideen, die Vernunft und Wissenschaft zu ihren grundlegenden Prinzipien machen, schaffen wir gesellschaftliche Strukturen für äußerliche Freiheit. Und sie ist eine notwendige Bedingung für friedliches Zusammenleben aller Menschen.

Die wirkliche innerliche Freiheit erreicht der Mensch nur, wenn er ein spielender Mensch ist. In der Kunst findet der Mensch sein Lebensziel. Oder, wie Schiller es formuliert:

Um es endlich auf einmal herauszusagen, der Mensch spielt nur, wo er in voller Bedeutung des Worts Mensch ist, und er ist nur da ganz Mensch, wo er spielt

 

Friedrich Schiller und die Schönheit

Friedrich von Schiller

Friedrich Schiller sieht man im Allgemeinen nicht als einen Vertreter der Romantik. Zusammen mit Wieland, Herder und sein späterer Freund Goethe gehört er zur Weimarer Klassik und vor allem seine Gedichte werden als schöpferische Höhepunkte des Sturm und Drang bezeichnet. Diese Epoche der deutschen Literatur zeigt uns den Menschen als ein künstliches und sittliches Genie, das in der Literatur glanzreich aufblüht. Die Weimarer Klassik ist nicht eine wirkliche literarische Strömung, sie wird von der Freundschaft zwischen Goethe und Schiller bestimmt, die sich dann auch in literarischem Bereich beschlossen haben einigermaßen zusammenzuarbeiten.

Gleichwohl trifft man in seinen Werken literarische Themen und Einflüsse, die man allerdings mit der Romantik verbinden kann. Schiller fragt danach, wie die Zwiespältigkeit der menschlichen Natur zwischen dem Sinnlichen und dem Vernünftigen sich zu seiner Umwelt verhält. Schiller beschreibt den Menschen als ein Wesen doppelter Natur, der ständig den Einflüssen zwei kontradiktorischer Wirkungskräfte ausgesetzt ist. Schiller spricht über den Stofftrieb und den Formtrieb.

Johann Wolfgang von Goethe und Friedrich von Schiller in Weimar

Der Stofftrieb

Der Stofftrieb beschreibt das natürliche Dasein des Menschen und umfasst sinnliche sowie körperliche Bedürfnisse. Er ist der Drang die Welt zu erfahren und seine eigene Existenz zu fühlen. Die Sinnlichkeit bedeutet hier, dass Entscheidungen von Emotionen und Gefühlslagen geprägt werden. Laut Schiller lassen im Besonderen junge Menschen sich von dem Stofftrieb leiten.

Der Formtrieb

Der Formtrieb kommt aus unserer rationalen und moralischen Natur hervor und strebt das Unveränderliche und Zeitlose nach. Der Formtrieb gewinnt während des Lebens an Bedeutung und die Harmonie des Menschen mit der Welt wächst. Die Ebene der Vernunft wird an ihn gespiegelt und kann als einen Ausdruck des Geistes betrachtet werden. Er ist weitgehend mehr als nur eine Errungenschaft der Kultur.

Schiller präferiert nicht einen über den anderen, er stellt nüchtern fest, dass beide für das Wohlbefinden des Menschen benötigt sind, und dass eine Ausgewogenheit gefunden werden soll. Der Formtrieb macht es schon möglich für den Menschen die Welt zu verstehen und Fortschritte im Leben zu verwirklichen, aber er unterwirft auch den Menschen der Rationalität, die dafür sorgt, dass Grenze, Gesetze und Pflichten die schöpferischen Fähigkeiten und sinnliche Wünsche des Menschen einschränken.

Das Spiel macht zu einem besseren Menschen

Im Spiel kommen die beiden Triebe zusammen. In seinem 15. Brief „Uber die ästhetische Erziehung des Menschen schreibt Schiller wahrscheinlich seinen berühmtesten Satz: ‚‘um es endlich auf einmal herauszusagen, der Mensch spielt nur, wo er in voller Bedeutung des Worts Mensch ist, und er ist nur da ganz Mensch, wo er spielt.‘‘ In diesem Brief arbeitet Schiller eine kulturanthropologische These aus, die bis zu unserer Zeit weitreichenden Einfluss auf unsere Vorstellungen von Kultur und Schönheit ausübt

Schiller kommt zu seiner These nach dem grausamen Scheitern der französischen Revolution. Zunächst hatte er die Revolution begrüßt. Als sie dann entgleist, argumentiert Schiller, dass das tierische Element im Menschen noch zu stark ist und er nicht in der Lage sei Exzesse zu vermeiden Andere glauben, dass der Mensch während der Revolution lernt was Freiheit bedeutet, aber Schiller stimmt das nicht zu. Man kann nicht den Staat völlig zerbrechen, ohne zu wissen wie man eine neue Struktur aufbaut. Der Mensch ist innerlich noch nicht von barbarischen Instinkten frei.

Immanuel Kant

Zwar leben wir in einem Zeitalter der Aufklärung und gesellschaftliches Fortschritts, dennoch behauptet Schiller, dass die Aufklärung Menschen nur äußerlich geändert hat. Sein innerliches Wesen ist bisher im Kern ungerührt geblieben und muss noch umgestaltet werden. Es geht darum, die richtigen gesellschaftlichen Grundlagen zu schaffen, unter denen die beiden grundsätzlichen Urtriebe des Menschen in Harmonie zu einander stehen und zur völligen Entfaltung kommen.

Der Spieltrieb vereinigt das Sinnliche und das Moralische miteinander. Von der einen Seite wird der Mensch zivilisiert, andererseits lässt das Spiel ihm die Möglichkeit seine Träume, Wünsche und Begierden zu entfalten, ohne das er dabei anderen schadet oder ihre Freiheit nimmt. Schiller folgt Kant, der auch zwischen Leiblichkeit und Moral einen Unterscheid macht und den Menschen als ein gespaltetes Subjekt bezeichnet. Kant aber betont immer die Moral und Schiller empfindet seine Lehre als sehr abstrakt. Wir sollten unsere beiden Triebe umarmen und verknüpfen.

Vom Spiel zur Freiheit

Aber der Mensch braucht Freiheit zum Spielen. Und die innere Befreiung der Menschen erreicht man nur über die äußere politische Freiheit. Andere, wie Fichte, glauben, dass man Freiheit nur erfährt, wenn man um sie kämpft. Schiller ist anderer Meinung: Wenn die Macht des Staates zu früh auflöst, folgt nur Anarchie, da die Menschen nicht wissen wie mit der Freiheit umzugehen. Man sollte ihm die Zeit gönnen ‚‘zu üben‘‘. Der Mensch muss sich die geistigen Fundamente der Freiheit erlernen, bevor eine politische Umwandlung stattfinden kann.

Georg Wilhelm Friedrich Hegel

Aber woraus sollten diese Spiele bestehen? Für Schiller sind das primär die Literatur und die Kunst. Gerne weist er dabei auf die Importanz von Ritualen, Tabus und Symbolisierungen hin, die seiner Meinung nach den Weg aus der Naturexistenz der Menschen zur Kultur ermöglicht haben. Spiele sind in vielen Hinsichten ihre Fortsetzung und dämmen die zwingenden gewalttätigen und freiheitsbedrohenden Folgen von Sexualität, Aggression, Konkurrenz und Verfeindung ein. Diese Triebe hören allmählich auf tierisch zu sein und werden wahrhaft menschlich. Später würde man das Sublimierung nennen. Krankheit und Verfall verschwinden in den Hintergrund und die Kreativität der Menschen wird entzündet, ohne wieder in die Barbarei zu verfallen.

Karl Marx

Das heißt, Spiele schaffen Freiheitsräume uns Schiller glaubt, dass damit Kultur gebildet wird, die der Mensch von Tod und Vernichtung entlastet und zusammenleben wirklich möglich macht. Der tierische Mensch wird ein soziales Wesen und die jetzt entstandene Kultur ersetzt die Grausamkeit und den Ernst des Lebens durch Spiele. Die Begierden und Affekte, die uns beherrschen, müssen einen freien Spielraum gegenüber gesetzt worden, damit wir sie kontrollieren und überwinden können, und zur gleichen Zeit ihre schöpferische Kräfte erhalten bleiben. Die Spiele und Sublimierungen unserer Triebe führen uns zu einem wirklichen Begriff von Schönheit und formen ‚‘den ästhetischen Menschen‘. Der ästhetische Mensch versteht was Schönheit bedeutet und nur mit diesem Schönheitsbegriff kommt er zu Freiheit. Der ästhetische Mensch wird seine Freiheit niemals missbrauchen um andere ihre Freiheit zu nehmen.

Schönheit ist Ziel des Lebens

Schiller glaubt, dass die bürgerliche Gesellschaft unter dem Diktat der Nützlichkeit steht. Die schönen Künste lernen uns, dass die wirklichen wichtigen Sachen des Lebens, wie Liebe, Freundschaft und Religion ihren Zweck in sich selbst finden und nicht sinnvoll sein sollten. Wir sollten sie bloß erfahren und genießen und uns dabei keine Gedanken machen wie sie uns nützlich gemacht werden können. Schönheit genießen ist der Zweck des Lebens.

Max Weber

Für Schiller gibt es noch ein Übel der bürgerlichen Gesellschaft: die Arbeitsteilung. Er versteht, dass sie in der modernen Gesellschaft unvermeidlich ist, trotzdem betrachtet er sie als eine Deformation des Menschen. Die Arbeit wird von ihrem Genuss und dem Endziel geschieden und die Anstrengung von ihrer Belohnung. Die Gesellschaft wird immer komplexer, aber der Mensch sieht seine Möglichkeiten zur Selbstentfaltung ständig verengen. Auch hier gibt die Kunst dem Menschen die Gelegenheit mit allen seinen Kräften zu spielen. Er kann die Folgen der Arbeitsteilung damit nicht überwinden, jedoch auf solche Weise kompensieren. In einem befristeten Augenblick und im Bereich der Kunst und der Schönheit belebt der Mensch eine Totalität, die ihm in seinem alltäglichen Leben weggenommen worden ist.

Die Theorie des ästhetischen Menschen hat zu einer beispiellosen Rangerhöhung der Kunst und Literatur beigetragen. Schiller hat für immer die unabhängige Position von Kunst gegenüber gesellschaftlichen Entwicklungen und Machtverhältnissen grundsätzlich und klassisch formuliert.

Schiller gibt der Romantik Ewigkeitsdauer

Georg Simmel

Schiller folgt der Denkbewegung der Romantik, wenn er sagt, dass die heutige Gesellschaft zu viel von Fortschrittsdenken, Nützlichkeit und Wissenschaft geprägt wird. Der Mensch braucht seine Begierden und Affekte um schöpferisch zu großen Leistungen zu kommen. Er sucht auch in der Vergangenheit eine Vorstellung des idealen Staates. Der klassische griechische Mensch war nicht der Brutalität eines starken Staates unterworfen und betrachtete sich selbst als einen gebildeten Menschen. Es war den alten Griechen gelungen Rationalität mit Sinnlichkeit zu vereinigen. In diesem Sinne schließt Schiller sich auch die Romantik an: er basiert seine zukünftige ideale Gesellschaft auf ein Modell der Vergangenheit.

Die schillersche Theorie des ästhetischen Menschen ist eine kräftige Gesellschaftanalyse, woran Hegel, Marx, Max Weber und auch Georg Simmel später anknüpfen werden. Die Art und Wiese wie Schiller die Arbeitsteilung und ihre Folgen beschreibt, hat diese Denker beeindruckt und weitgehend beeinflusst. Und damit dauert die Epoche der Romantik bis zu unserer Zeit an.