Dromen in het werk van Tolstoj en Dostojevski

Hoe gebruikten grote Russische schrijvers als Tolstoj en Dostojevski dromen in hun werken? We zullen zien dat in het dromen als verteltechniek veelvuldig en fijnzinnig voorkomen in de klassieke Russische literatuur. En door wie werden zij aangezet dromen te gebruiken, door wie zijn zij daarbij beïnvloed?  We bekijken eerst hoe dromen gebruikt zijn in de westerse literatuur en hoe filosofen en psychologen hen interpreteren

Dromen en culturen

Lucien Levy-Bruhl

Antropologen verklaren dat bijna alle culturen, er is haast geen enkele uitzondering, onderscheid maken tussen verschillende typen dromen. De Franse filosoof, socioloog en antropoloog Lévy-Bruhl beschrijft in zijn klassieke La Mentalité Primitive uit 1923 dat al bij primitieve volkeren er onderscheid wordt gemaakt tussen fictionele en ‘ware’, voorspellende dromen.

Plato en Aristoteles over dromen

De droom is een tomeloos wild beest dat in de slaap komt – Plato

Plato ( circa 428 – 348 v.Chr) was vooral geïnteresseerd in de invloed van dromen op het mentale en fysieke leven van een persoon en dacht dat gedroomde boodschappen signalen waren voor hoe iemand zijn of haar leven moest leiden. In zijn beroemde dialoog Phaedo noemde hij Socrates’ beslissing om voor kunst en muziek te kiezen het resultaat van een droom.

Plato meende dat de droom in de lever zetelde. Sommige dromen schreef hij toe aan de goden, andere aan wat hij in de Republica beschreef als een tomeloos wild beest dat tijdens de slaap opduikt.

Aristoteles

Droombeelden zijn metaforen voor andere situaties en beelden – Aristoteles

Aristoteles (384-322-v.Chr.) beschouwde dromen meestal niet als profetisch maar zag verbanden tussen dromen en herinneringen aan gebeurtenissen in het dagelijks leven van de dromer. Ook schreef Aristoteles over dromen die worden veroorzaakt door menselijke zintuigen. Als iemand het tijdens het slapen bijvoorbeeld erg warm krijgt, kan hij of zij gaan dromen van hitte of vuur.

Aristoteles was de voorloper van het wetenschappelijk rationalisme van de 20e eeuw met zijn stelling dat dromen opgewekt worden door louter zintuigelijke oorzaken. Aristoteles dacht dat metaforen essentieel waren voor droomanalyse. Hij suggereerde  dat droombeelden niet eenvoudigweg weerspiegelingen zijn van de dagelijkse wereld maar metaforen voor andere beelden en situaties. Dit standpunt vormt de basis van de moderne droomanalyse.

Nog voor Aristoteles beschouwde de geneesheer Hippocrates (circa 460-357 v.Chr.) – de grondlegger van de moderne geneeskunde – dromen als een diagnostisch hulpmiddel. Andere Griekse denkers sloten zich hierbij aan en zo werden veel oude Grieken medisch behandeld op basis van dromen over ziekelijke lichaamsdelen.

Odysseus

In de Odysseus spreekt Penelope over dromen zo:

Dromen zijn rare en verwarrende zaken: niet alles wat mensen erin zien, komt uit. Want er zijn twee poorten door welke zij tot ons komen. Degene die door de poort van gepolijst hoorn komen en degene die door de ivoren poort komen. De dromen via de ivoren poort bedriegen ons met loze beloftes die nooit vervuld worden. Terwijl de dromen die door de poort van gepolijst hoorn tot ons komen, de dromer vertellen wat er werkelijk gaat gebeuren.

De Bijbel

De Bijbel bevat vele soorten literaire dromen, waarbij direct geprobeerd wordt deze te interpreteren. Wanneer er sprake is van ‘goddelijke’ dromen, hebben zij een voorspellende betekenis en kondigen zij gebeurtenissen aan. Echter, heiligen en kerkvaders waarschuwen in hun preken en teksten dat alleen dromen, geïnspireerd door God en Zijn Engelen te vertrouwen zijn. De duivel kan de mensen ook laten dromen en op het verkeerde been zetten.

Tijdens de Middeleeuwen en de Renaissance zien we dromen vaak als allegorieën of als verteltechnieken. Dat zien we terug in Dantes Goddelijke komedie, Miltons Paradise Lost en ook veelvuldig in Shakespeare. Midsummer Night’s Dream draait om de afwisseling tussen droom en realiteit.

Filosofen tijdens de Verlichting tonen relatief weinig belangstelling voor het fenomeen dromen. De nadruk ligt op de rede en het verstand. Men wil met name een  geestelijke activiteit van de mens bestuderen: het denken, en negeert ‘irrationele’ zaken als dromen

Maar zoals Dostojevski zegt in Aantekeningen uit het ondergrondse:

Rede is een prachtig ding, dames en heren, maar het is slechts rede.

Tegen het einde van de 18e eeuw, met de opkomst van de Romantiek, beginnen zowel filosofen als dichters andere geestelijke activiteiten van de mens te onderzoeken: emoties, impulsen, intuïtieve perceptie, verbeelding, geheugen, fantasieën en ….dromen.

Von Schubert en Carus

Gotthilf Heinrich von Schubert schreef het invloedrijke ‘Die Symbolik des Traumes’

Twee Duitse dokters, Gotthilf Heinrich von Schubert en Carl Gustav Carus,  ontwikkelen theorieën over hoe de wisselwerking tussen bewustzijn en het onbewuste is en de cruciale rol van dromen daarin. Dit doen zij bijna tachtig jaar voor Sigmund Freud. Schubert stelt dat in een droom de ziel een hele andere taal spreekt dan in normale toestand.  Het onderbewuste volgt andere ‘wetten’ dan het bewustzijn en gebruikt metaforen en allegorieën om beelden uit te drukken.

Schubert is getroffen door de overeenkomst tussen de ‘taal’ van het onderbewuste, de droom, en hoe dichters en schrijvers de taal gebruiken. Hij komt tot de conclusie, onder invloed van de Romantiek en Sturm und Drang, dat het bewuste leven van de mens niet meer is dan een droom en het onderbewuste de werkelijke afspiegeling van de menselijke natuur.

Carl Gustav Carus

Carus stelt het nog duidelijker: als we de essentie van het bewuste leven van de ziel willen leren kennen, dan moeten die zoeken in de onderbewuste sferen van de menselijke ziel. Dromen, aldus Carus, zijn de geestelijke activiteit van het bewuste verstand van de mens tijdens de slaap. Daarom kunnen dromen voorspellend zijn. Het bewuste verstand van de mens komt tot conclusies tijdens de slaap die in het dagelijkse bestaan tijdens bewuste toestand niet te bereiken zijn.

Zowel Schubert als Carus wijzen op het sterke verband tussen droom en artistieke scheppingskracht. Mede onder hun invloed beginnen dichters en schrijvers hevig te experimenteren met dromen als literaire technieken in hun werken.

E.T.A. Hoffmann

Een van de bekendste hierbij, en zeer invloedrijk voor de Russische literatuur, is E.T.A. Hoffmann, die in zijn beschrijving van de dader, de misdadiger, ons laat zien hoe de dromenwereld en de werkelijke wereld verstrikt raken in het denken van de mens. Dromen constitueren een ‘tweede leven’. De ‘gespleten ziel’ en het dubbelgangersmotief, zo vaak gebruikt in literaire teksten, vinden veelal hun eerste toepassingen in het proza van Hoffmann.

E.T.A. Hoffmann

De roman is het bij uitstek geschikte stijlmiddel om dit uit te werken. In een roman kan een auteur niet alleen de uiterlijke wereld, maar ook de innerlijke wereld van zijn helden uitbeelden. Daarnaast kan de schrijver ons laten luisteren naar zijn helden, maar ook via hen tegen ons spreken. Hij kan via het onderbewuste van zijn helden ons dingen voorhouden en uitleggen wat de ware betekenis is van wat in de roman verteld wordt.

Het precies vastleggen van de realiteit werd gecomplementeerd door inkijk in de minder toegankelijke wereld van de ziel van de hoofdpersonages.

Oorlog en Vrede en Schopenhauer

In 1869, net na het voltooien van Oorlog en Vrede, beschrijft Lev Nikolaevitsj Tolstoj zijn ‘oneindige extase’ over de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer en noemt hem de ‘briljantste mens van allemaal’. In het bijzonder is Tolstoj gegrepen door Parerga und Paralipomena, een verzameling korte essays van Schopenhauer.

Arthur Schopenhauer

In een van deze essays werkt Schopenhauer zijn ideeën over dromen en hun betekenis voor ons bewustzijn verder uit. Zijn hoofdwerk, Die Welt als Wille und Vorstellung, duidt de dood als ‘de slaap die laatste is en zijn dromen, die dromen we nu’. Het moment van sterven lijkt op het ontwaken uit een zware droom. De dood is tegelijkertijd een nieuw begin, het ontluiken van een nieuw bewustzijn.

Schopenauer beargumenteert dat het beeldende element in onze dromen het normale voorstellingsvermogen van de mens ver te boven gaat. Een droom biedt ons helderheid en een levendige werkelijkheid, maar eveneens heeft hij een onmiskenbare gelijkenis met de waanzin.

De Duitse denker, heel goed bekend met Oosterse en Aziatische filosofieën en religieuze stromingen, concludeert dat de droom een bron van hernieuwd inzicht is en ons een intuïtieve perceptie geeft die we niet kunnen verkrijgen door onze zintuigen. Veel van deze idee vinden we terug in het hindoeïsme en boeddhisme.

Schopenhauer borduurt in zijn filosofie voort op de ideeën van Immanuel Kant, die stelt dat wij de wereld slechts begrijpen door categorieën die onze geestelijke capaciteiten toepassen bij het structureren van onze voorstellingen. Deze categorieën zijn onder andere ruimte, tijd en causaliteit. De realiteit achter onze subjectieve waarnemingen noemt Kant ‘Ding-an-sich’. Schopenhauer stemt in met Kant, maar stelt dat het begrip ‘ding’ geen betekenis heeft in de realiteit.

Het is louter ontsproten aan onze subjectieve waarneming, wij maken ‘dingen’. De werkelijkheid kan daarom geen ‘ding’ zijn, maar een onbegrensd fenomeen dat alles omvat. Dit noemt Schopenhauer ‘wil’. ‘Wil’ niet in de zin van naar iets verlangen of nastreven, maar een kracht die onze gehele bestaan doortrekt en voor de levensdrang zorgt.

Wij begrijpen deze wil beter als we bij ons zelf naar binnen kijken en ons richten op het bewustzijn. Door naar binnen te kijken, ‘schakelen’ we een aantal van de categorieën die onze waarneming toepast, uit en kunnen we dichter bij de objectieve werkelijkheid komen. De werkelijkheid heeft in Schopenhauers visie ook geen doel of betekenis van zichzelf.

Zowel Kant als Schopenhauer ontkent niet het bestaan van een objectieve werkelijkheid, zij stellen slechts dat ons denken over de reële wereld nooit losstaat van onze voorstelling van de wereld.

Oorlog en vrede

Tolstoj verwerkt een aantal ideeën dat doet denken aan Schopenhauer in de dromen die zijn personages beleven in Oorlog en Vrede. Een van de hoofdfiguren, graaf Andrej Bolkonski, droomt aan de vooravond van de slag bij Austerlitz over roem en glorie en ziet Napoleon als een belichaming daarvan. Dit zijn volledige bewuste gedachten en voorstellingen die Andrej zichzelf voorspiegelt.

Als hij dan tijdens deze slag gewond raakt, treft hem de ‘grijze lucht met voorbijtrekkende wolken’. In een halfbewuste toestand ervaart Andrej hoe rustgevend en inspirerend deze ervaring is en hoe nietig nu zijn vroegere ambities lijken.Het oneindige dat deze grijze lucht symboliseert, vervult hem met geestelijke verheffing. Ja, roept de graaf in extase, er is niet meer dan dat! Maar zelfs dat bestaat niet! Er is niets anders dan stilte en rust.

Vjatsjeslav Tichonov als prins Andrej Bolkonski in Oorlog en Vrede van regisseur Sergej Bondartsjuk. Deze film in vier delen won in 1968 de Oscar voor beste buitenlandse film.

Andrej hoort voor het eerst de stem van de dood en het lijden en begint de boodschap daarvan te begrijpen. Andrej komt in een lazaret terecht waar hij verder wegzakt in bewusteloosheid. Zijn koortsachtige dromen herschikken zijn gedachten over het slagveld, familie, roem, glorie en de betekenis van Napoleon. Zijn onderbewuste toont hem een Napoleon die de familie bezoekt en zijn onvrede uit over het rustieke samenzijn van de familie Bolkonski.

Andrej begrijpt nu in zijn droom dat de glorie van Napoleon gebaseerd is op het ongeluk en lijden van andere mensen. De omslag in zijn denken is teweeggebracht door het beeld van de rustgevende grijze lucht boven het slagveld.

Als Andrej zeven jaar later deelneemt aan de slag bij Borodino, is hij een wezenlijk ander mens. Voor de slag bij Austerlitz waren roem en glorie zijn drijfveren, nu is hij bereid de dood tegemoet te treden met kalmte, gesterkt door het idee dat zijn daden geen betekenis hebben, zij hebben geen invloed op de loop van de gebeurtenissen. Net zomin als de figuur van Napoleon iets voorstelt.

Tijdens de slag van Borodino raakt Andrej dodelijk gewond. Nu beleeft hij geen toestand van delirium zoals in Austerlitz, maar komt tot bewustzijn in een militair ziekenhuis. Daar ziet hij zijn rivaal in de liefde, Anatole Koeragin, die in de slag zijn been heeft verloren. De grote liefde van Andrej, Natasja Rostova, heeft haar hart verslingerd aan deze aristocratische charmeur Koeragin.

Andrej benadert hem echter met warmte en genegenheid. De slag en de heldenstatus die hij daar had willen verwerven, spelen geen enkele rol meer in zijn bewustzijn. De naderende dood stemt hem mild en geeft hem inzicht in de ware belangrijke zaken van het leven. Nu is zijn bewustzijn nog bezig met ‘gedachten’ en deze gedachten leiden tot niets. Andrey kan nu nog niet zijn naderende dood verzoenen met zijn brandende liefde voor Natasja en haar levenslust. Uiteindelijk valt de gewonde graaf in slaap.

Als Andrej opnieuw droomt, ziet hij zichzelf liggen in zijn eigen kamer met zijn wond volledig genezen. Hij ziet om zich heen mensen die over alledaagse zaken spreken en dan de kamer uitlopen. Hij raakt geobsedeerd door de deur die naar zijn kamer leidt. Nu staat hij op van zijn bed om te deur op slot te doen. Op dat moment realiseert hij zich dat de dood achter de deur staat en ieder moment kan binnenkomen.

Dan treedt hij binnen…Als Andrej sterft in zijn droom, wordt hij wakker en herinnert hij zich dat hij lag te slapen. Hij denkt bij zichzelf: Ja, het was de dood! Ik ging dood en werd wakker. Ja, de dood is een ontwaken!

Wat hij rationeel niet kon vaststellen, gebeurt nu in twee stadia van bewusteloosheid en slaap. Tolstoj toont het geestelijke veranderingsproces dat zich in zijn hoofdpersonage afspeelt aan de hand van twee dromen: de eerste op het slagveld van Austerlitz, wanneer hij de grijze lucht ziet, en de tweede na de slag bij Borodino, waar hij de dood kalm tegemoet treedt. Andrej Bolkonski ‘ontwaakt’ uit het leven en doorgrondt het mysterie van de dood. Zijn louteringsproces is voltooid.

De doodsdroom van Andrej Bolkonski uit Oorlog en Vrede behoort tot de ontroerendste en aangrijpendste scènes uit de wereldliteratuur. Het is hier waar de Russische grootmeester van het proza zijn literaire genialiteit ten volle toont. In het simpele, maar magnifieke, melodieuze en rimpelloze Russisch van Tolstoj is Oorlog en Vrede een onvergetelijke ervaring die de lezer loutert en hem het gevoel geeft een ander mens te zijn geworden. Dit boek kleurt de ziel.

Door te concentreren op de innerlijke beweging en kracht van het denken zelf komen we zo dicht als het kan bij de reële werkelijkheid en kunnen we de wil, de substantie die ons het leven schenkt, ervaren. Voor Tolstoj is het leven als het ware een ‘morele dood’ en die is veel ernstiger dan het sterven zelf.

Dostojevski; Misdaad en straf

In de memoires van zijn laatste vrouw, Anna Grigorieva Dostojevskaja staat het volgende:

A.G: Ik ben zo blij in zo’n goede stemming te zien. Is er iets speciaals met je gebeurd?

F.D.: Ja, inderdaad! Vannacht had ik een schitterende droom.

A.G.: Ooh, dat verklaart het! en ze begint te lachen.

F.D:  Lach alsjeblieft niet! Ik hecht zeer grote waarde aan dromen. Mijn dromen zijn altijd profetisch.

Anna Grigorjevna Dostojevskaja, geboren Snitkina, de laatste vrouw van Dostojevski.

Voor Dostoejevski symboliseren dromen dat gedeelte van de menselijke ervaring waar zijn tijdelijke bestaan versmelt met het eeuwige. Waar het tijdelijke opgeslokt wordt door de oneindige wereld van ervaring en verlangen

In een klassiek studie van Janko Lavrin uit 1920, Dostojevski en zijn schepping, staat:

Lang voordat Freud en Jung wilden vaststellen wat de werkelijke aard van dromen is en aantonen wat hun betekenis is, deed Dostojevski dit al en liet hij zien hoe dromen symbolische projecties zijn van ons onderbewuste in het bewustzijn.

Michail Bachtin

Michail Bachtin, beroemd linguïst en filosoof, en schrijver van de beroemdste studie over het werk van Dostojevski, Problemen van Dostojevski’s poëzie, schrijft dat geen enkele schrijver in de Europese literatuur zo veel gebruikt maakt van dromen in zijn proza als Dostojevski.

Via E.T.A. Hoffmann kent Dostojevski Schuberts theorie over het onderbewuste. Voor Dostojevski staan twee zaken centraal bij dromen:

hoe komt het dat in dromen rede zich aanpast aan het absurde? Er is een sprake van een ‘gewild’ uitstel van het ongeloof, die in bewuste toestand nooit geaccepteerd zou worden.

en ten tweede, waarom is er het gevoel dat je met je droom een gevoel achterlaat dat er een onopgelost mysterie is? Dostojevski is ervan overtuigd dat dromen diepgaande waarheid bevatten.

Een werkelijk idee dat tot het ‘echte’ leven behoort dat al het tijdelijke overstijgt. Deze waarheid openbaart zich echter alleen in het onderbewuste en is ontoegankelijk voor het bewuste verstand. Ondanks dat we ons dromen kunnen herinneren, helpt het geheugen ons echter niet dromen te begrijpen. Het verstand kan dromen niet verklaren.

Michail Bachtin. Hij schreef een aantal invloedrijke studies over het proza van Dostojevski.

Dat begrijpt Dostojevski ook, en laat zien dat zijn hoofdpersonages lijden onder hun dromen en onbegrip, MAAR tegelijkertijd laat Dostojevski aan de lezer zien wat de dromen inhouden en wat hun betekenis voor het plot van de roman is. Via de dromen van de helden begrijpt de lezer wat er gaande is. Dromen zijn dus een wezenlijk onderdeel van de structuur van de roman en geven de verhaallijnen betekenis. Dromen zijn voor Dostojevski een esthetische structuur, die net zoals kunst, literatuur, die uitdrukking geven aan de totale ‘realiteit’ van de mens.

Van E.T.A. Hoffmann neemt Dostojevski een ander stijlmiddel over: ‘overdrachtelijk fantaseren’.

De auteur toont de held in een dwangtoestand waaruit deze zich met samenhangende wensvoorstellingen wil bevrijden. Dit is in de negentiende eeuw een populair stijlmiddel, in de hand gewerkt door de publicaties van romans in gedeelten in feuilletons. Misdaad en straf wordt ook zo gepubliceerd en Dostojevski moet de aandacht van de lezer vasthouden door dergelijke ‘kitschelementen’ en ‘cliffhangers’ te introduceren.

Anders dan Toergenev en Tolstoj is Dostojevski niet financieel bemiddeld en is hij afhankelijk van de feuilletons om zijn literaire werk onder de aandacht te brengen. Dromen zijn natuurlijk uitstekende stijlmiddelen de spanning in een verhaal te verhogen en te wijzen op verschillende mogelijke uitkomsten. En daarmee uiterst geschikt voor een feuilleton.

Dromen, koorts en noodtoestand

Misdaad en straf is een studie van Raskolnikovs geweten en vanaf het moment dat we hem gaan volgen, vlak voor de moord, zien we hem afwisselend in fantasieën en dromen vervallen. De roman is een lang ‘gedachtenspel’ van Raskolnikov en in die zin een ‘overdrachtelijk fantaseren’. Een terugkerend thema in het boek is ziekte, of de ziekelijke toestand van Raskolnikov. Voortdurend heeft hij koorts of bevindt hij zich in ‘een koortsachtige schemering’.

Friedrich Schillers dissertatie

De voorkeur van Dostojevski voor de uitzonderlijke toestand bij mensen is terug te voeren op zijn liefde voor de Duitse schrijvers Friedrich Schiller en E.T.A Hoffmann. Schiller gelooft dat ‘zielenpijn’ samenvalt met de lichamelijke toestand van de held in de roman.

 

Friedrich Schiller was militair arts. Zijn disseratie ”Über den Zusammenhang der tierischen Natur des Menschen mit seiner geistigen” had grote invloed op ”Misdaad en Straf” van Dostojevski.

Dostojevski verdedigt zich tegen aantijgingen dat hij onrealistische personen schildert met het argument dat hij veel van zijn materiaal uit de praktijk haalt, onder andere uit criminologische studies en journalistieke artikel over misdaad. Schiller, die medicijnen gestudeerd heeft, schrijft zijn dissertatie over misdadigers en hun motieven. Deze verhandeling heeft diepgaande invloed op Dostojevski.

Wanneer de geest ‘onwelgevallige instructies’ doorgeeft aan het brein, reageert het lichaam met ziekteverschijnselen. En deze ziekelijke toestand creëert een vals bewustzijn, ondermijnt het vermogen situaties helder te beoordelen, het vertroebelt de geest. Schiller zoekt bij misdaden die uit passie gepleegd zijn naar de motieven die het menselijk gedrag verklaren. Dit lijkt op wat wat Nietzsche zegt over misdadigers: sterke mensen die op een gegeven moment ‘ziek’ geworden zijn omdat hun creativiteit gebreideld wordt.

Die combinatie van koorts en het zweven op de grens van het bewuste en onderbewuste leiden tot de verschillende dromen bij Raskolnikov.

Een figuurlijke droom en vier ervaringsgerichte dromen

Hij heeft een figuurlijke droom hoe hij de woekeraarster vermoordt, om vervolgens in vier verschillende ervaringsgerichte dromen te zien hoe zijn geweten hem wijst op de emotionele en morele gevaren en gevolgen van zijn daad. De vier ervaringsgerichte dromen zijn elk een reconstructie van de moord die Raskolnikov gepleegd heeft en geven via symbolen aan dat Raskolnikov gefaald heeft. Zij zitten vol met religieuze symbolen en verwijzingen die de lezer laten zien dat Raskolnikov moreel de verkeerde keuzes heeft gemaakt

De dromen tonen hem, in de visie van Dostojevski, de logische consequenties van zijn daad en doen hem, samen met de lezer, inzien dat hij op het foute pad zit. Hij is niet de sterke mens die boven de wet staat en zijn creativiteit ongebreideld heeft toegepast. Hij is slechts een moordenaar en egoïst die zijn hachje probeert te redden. Maar de dromen bieden hem ook een uitweg: er is verzoening en vergeving mogelijk.

Vlak voordat Raskolnikov zijn daad bekent, leest Sonja Marmeladova hem het verhaal over de wederopstanding van Lazarus voor. Het symboliseert de wens en het verlangen bij Raskolnikov zelf een morele wederopstanding te beleven en is in zoverre een wens uit zijn door gewetensnood onmogelijk gemaakte situatie te komen. Sonja laat hem eveneens inzien dat hij juist ‘door niet over de grenzen heen te stappen’ een moreel bewustzijn heeft behouden en dus niet verloren is.

 

 

Michail Bachtin: beroemde Russische linguïst, maar vooral groot denker

bachtin
Michail Bachtin

Hij is door sommigen bestempeld als de belangrijkste denker van de Sovjetperiode en grootste literatuurtheoreticus van de twintigste eeuw. Een uitspraak die Michail Bachtin vreugd zou hebben gedaan, omdat hij in de eerste plaats wordt geroemd als denker. Terwijl hij vooral bekend staat als de literatuurwetenschapper en linguïst die beroemde studies heeft geschreven over het werk van Dostojevski en Rabelais.  Bachtin noemt zichzelf liever ‘’een filosoof die aangewezen is op het literatuurwetenschappelijke discours’’. Hij is een grensganger tussen linguïstiek, filologie en filosofie.

Opmerkelijk is dat we verwijzingen naar hem en zijn betekenis vooral tegenkomen na zijn dood in 1975. Ten tijde van zijn leven is hij vrijwel onbekend en worden zijn boeken nauwelijks gelezen. Grotendeels komt dit door het specifieke politieke klimaat in die tijd, in 1929 wordt Bachtin gearresteerd en verbannen en vervolgens dient hij een groot deel van zijn actieve en productieve leven in de luwte te werken. Ook is veel van zijn werk slechts fragmentarisch bewaard gebleven of zelfs verdwenen.

De biografie van Michail Bachtin is schimmig en omstreden. Daarnaast heeft hij zelf meerdere malen zijn biografie aangepast. Hij wordt op 16 november 1895 geboren in Orel. Vanwege het beroep van zijn vader verhuist de familie regelmatig. In 1905 trekken zij naar Vilnius en in 1911 volgt de verhuizing naar Odessa.

846
De jonge Michail Bachtin

Wat daarna gebeurt, is door geen enkele onderzoeker of biograaf bevredigend vastgesteld. De jonge Bachtin lijdt aan chronische osteomyelitis, een infectie aan het bot, en waarschijnlijk moet hij school vaak verzuimen. Er is dan ook geen diploma beschikbaar van het gymnasium dat hij in Odessa bezocht zou hebben. Het is onduidelijk hoe hij dan tussen 1913 en 1918 in Novorossijsk en Petrograd (toenmalige naam voor Sint-Petersburg/Leningrad) filologie, filosofie, Duitse esthetica en algemene literatuurwetenschappen heeft kunnen studeren. Bachtin heeft iedere keer weer zijn vermeende studieverloop op andere wijze gedocumenteerd. Zijn naam komt echter niet voor in de administratie van beide universiteiten, wel die van zijn een jaar oudere broer Nikolaj.

Naar eigen zeggen heeft Bachtin in zijn jeugd via het kindermeisje eerder Duits dan Russisch leren spreken en leest hij op zijn twaalfde de verzamelde werken van Dostojevski en veel Franse en Duitse literatuur in de originele taal. Op zijn dertiende maakt hij kennis met het werk van Kant, Kerkegaard en Nietzsche een ook met dat van de neokantiaan Hermann Cohen. Deze laatste oefent grote invloed uit op de intellectuele ontwikkeling van Michail Bachtin.  Het is onmiskenbaar dat in het werk van Bachtin sporen zijn te traceren van de belangrijkste Europese filosofische stromingen op dat moment, zoals de fenomenologie en hermeneutiek. In de jaren twintig van de vorige eeuw houdt Bachtin zich intensief bezig met teksten van onder andere George Simmel, Ernst Cassirer en Max Scheler.

de Bachtin-kring
de Bachtin-kring

Is zijn levensloop onduidelijk of sprake van ‘’gaten’’ in zijn curriculum vitae, ook het auteurschap van een aantal van zijn boeken is omstreden. Wanneer hij in Nevel een Kantseminar bijwoont, ontstaat een ‘’Bachtin-kring’’, een verzameling vrienden en onderzoekers die zich bezighouden met de studie van Europese filosofie en literatuurwetenschappen. Een lid van deze Bachtin-kring, de jurist en latere linguïst, Valentin Volosinov, schrijft een kritisch boek, Freudisme, over Freud en de psychoanalyse. Een ander lid, Pavel Medvedev, schrijft een ander zeer bekend geworden boek, De formele methode in de literatuurwetenschap. Ook dit boek is kritisch tegenover Freud. Velen stellen dat de echte auteur van deze werken Michail Bachtin is. Anderen beweren dat Volosinov en Medvedev de originele teksten en aantekeningen van Bachtin geredigeerd en uitgewerkt hebben. Momenteel lijkt men te denken dat beide heren toch de echte auteurs van de betrokken werken zijn. Allen zijn het er wel over eens dat Bachtins ideeën van beslissende betekenis zijn geweest voor de inhoud van beide boeken en een uitwerking van zijn gedachtegoed.

We kunnen het beginpunt van Bachtins scheppende werk dateren in 1921 als hij Filosofie van de handeling schrijft. Van dat werk is slechts een gedeelte bewaard gebleven, toch formuleert Bachtin juist in een van de overgebleven fragmenten een voor zijn filosofie belangrijk uitgangspunt. Het fragment spreekt over ‘handeling’ als uitgangspunt en is een uiteenzetting met het werk van Immanuel Kant.

immanuel_kant_painted_portrait
Immanuel Kant

Kant stelt in zijn ethiek dat men zo moest handelen dat dit handelen tot een algemene wet verklaard kan worden. De handeling, zo lijkt Kant te zeggen, is ‘’af’’ en het menselijke voorstellingsvermogen kan de werkelijkheid alleen bevatten door deze werkelijkheid te structureren door zijn waarneming. Daarnaast zegt Kant dat sommige kennis a priori, dus buiten de ervaring en de zichtbare wereld, beredeneerbaar is. Onze geest spiegelt niet de wereld zoals hij is, maar zoals hij zich aan ons voordoet.

Bachtin gelooft niet in a priori kennis en stelt dat ‘’een subject zich op een gegeven moment toch aan ons moet voordoen in de reële wereld’’. De handeling volstrekt zich in een enige concrete zichtbare, hoorbare en tastbare wereld en een praktische oriëntering in een theoretische wereld is niet voorstelbaar, daarin kan men niet leven en verantwoordelijk handelen. Een a priori subject geeft geen grondslag voor ethisch en moreel handelen. Daarnaast is de handeling nooit voltooid en vindt altijd plaats in interactie met meerdere handelingen en in een sociale context. Een handeling staat nooit op zichzelf, noch kan men doen alsof men niet deelneemt aan de handeling.

Het ‘’bachtiaanse’’ handelen is dus een concrete, participerende, scheppende en verantwoordingsvolle gebeurtenis. Verantwoordelijkheid is bij Bachtin een eveneens centraal begrip en verantwoordelijk handelen wordt bepaald door handelen in de concrete wereld en speelt zich niet af in de theoretische wereld van de ‘’wet’’ waarover Kant spreekt. Een handeling is altijd open, ‘’onvoltooid’’, en krijgt betekenis in wisselwerking met de ander op wie of het andere waarop de handeling zich betrekt. In deze redenering zien we de contouren opdoemen van Bachtins latere en bekendste filosofie van het dialogisme.

In 1929 verschijnt Problemen van de poëtica van Dostojevski, dat later Bachtins beroemdste boek zou worden. In dit boek komt Bachtin tot zijn bekendste theorie van het dialogisme en munt hij de term ‘’polyfonische roman’’. ‘’Polyfonie’’ is oorspronkelijk een term uit de muziek die verwijst naar het samenklinken van twee of meer stemmen en waarbij geen enkele stem de boventoon voert. In een polyfone stijl worden alle stemmen gelijk behandeld en is er geen zogenaamde ‘’bovenstem’’ die de regie voert.

Maar de ‘’polyfonie’’ van Bachtin heeft ook geen dirigent die de stemmen begeleidt. Weliswaar is er de auteur die ons de personages ‘’verschaft’’, de rollen toebedeelt aan zijn helden en het verhaal organiseert, maar hij bepaalt niet langer wat de personages denken. Zij bestaan onafhankelijk van hen en alle communicatie tussen hen is dialoog. De auteur is slechts een stem te midden die van zijn romanfiguren. De auteur verlaat zijn superieure positie en laat de romanfiguren allemaal hun verhaal vertellen. Hij plaatst zich op de achtergrond en maakt ons louter deelgenoot van de discussies tussen de personages. Ondanks dat de schrijver ‘’een buitenstaander’’ is, heeft hij vanuit zijn positie wel een verantwoordelijkheid. Hier keert het begrip ‘’verantwoordelijkheid’’ weer terug bij Bachtin. De auteur heeft de verplichting de lezer voldoende inzicht te geven in de communicatieve interactie tussen de verschillende personages. De dialoog tussen auteur, personages en lezer kent geen grenzen en slechts hij weerspiegelt de diepte en veelzijdigheid van het menselijke bestaan.

De veelzijdigheid van het menselijk bestaan is onmetelijk groot. Om dit gegeven enigszins recht te doen, dienen we het perspectief van de alwetende verteller te verlaten. Teneinde de grenzen van dit perspectief te overschrijden, moeten de personages in een roman de kans krijgen als vertellers op te treden. De verschillende binnenwerelden van de personages komen dan tot leven en de verbinding tussen deze binnenwerelden is de dialoog. De dialoog speelt zich af in de geest van de lezer die daarmee deelgenoot wordt in het werk van de schrijver. De lezer groeit als het ware zelf uit tot een personage, een stem in de roman. De dialoog geeft voeding aan de verbeelding en in de dialoog spiegelt zich de wereld aan ons, aldus Bachtin. Het leidt tot wat Salman Rushdie heeft gezegd over de nieuwe identiteit die ontstaat door het lezen van romans:

‘’ Wat door de geheime daad van het lezen wordt gewrocht, is een ander soort identiteit, wanneer de lezer en de schrijver via het medium van de tekst versmelten tot een collectief wezen dat zowel schrijft terwijl het leest, als leest terwijl het schrijft, en dat zo met vereende krachten, dat unieke werk, ‘hun’ roman, creëert. Deze geheime identiteit van lezer en schrijver is de grootste en de meest subversieve gave van de roman.’’

Bachtin stelt dat Dostojevski als auteur niet boven zijn romanfiguren staat, maar ertussenin. Hij spreekt niet over zijn helden, hij spreekt met ze. De romanfiguren hebben allen een eigen stem en belichamen een visie of een wereldaanschouwing. Daarnaast lijken zij in hun uitspraken voortdurend te anticiperen op wat de ander zegt en denkt. De auteur van de polyfone roman geeft zijn personages zo veel mogelijk vrijheid en het zelfbewustzijn van deze personages krijgt een vormgevende macht. Gaf Bachtin in zijn Filosofie van de handeling al aan dat een handeling altijd in een sociale context plaatsvindt en nooit af of op zichzelf staat, zo beargumenteert hij nu dat de dialoog nooit eindigt en schildering van de sociale context vereist.

Elke dialoog heeft een deel van het voorafgaande woord en het opvolgende woord in zich. Omdat de verschillende stemmen in de roman voortdurend op elkaar reageren en anticiperen, horen wij als lezer als het ware de ene stem door de andere stem heen klinken. En dit is een altijd voortschrijdend en scheppend proces. De vertellers in de roman hebben een even grote verantwoordelijkheid als de auteur en dragen een ‘’ideologische zelfstandigheid’’ waardoor zij in een positie verkeren ideeën voor het vervolg van het verhaal te formuleren en aan te dragen.

Wanneer de auteur een mening heeft over de held, dan verkondigt hij deze in het bijzijn van deze held en geeft in een positie van gelijkwaardigheid de held de gelegenheid op het standpunt van de auteur te reageren. In feite creëert de auteur een ‘’open plenum’’ waarin de romanpersonages driftig met elkaar discussiëren. In de dialoog confronteren de auteur, de helden en de lezer elkaar en alles wat zij over zichzelf weten, ervaren zij in dialoog met de ander.

Bachtin noemt het woord een ‘’arena’’ waar verschillende standpunten en betekenissen met elkaar strijden. Het woord krijgt zijn betekenis in de sociale interactie, in de dialoog met de ander. Elke sociale groep, aldus Bachtin, heeft zijn eigen taal. Hij verwijt de traditionele linguïstiek taal te bestuderen louter vanuit een structuralistische formalistische visie: men gebruikt de regels en grammatica van een taal om taaluitingen te bestuderen. Maar een woord ‘’verblijft’’ in de sociale interactie’’ en niet in een stelsel van formele regels. Een spreker moet voor zijn gesprekspartners taal en woorden vervatten in een context die voor de ander begrijpelijk is. De gesprekspartner moet de ‘’taaltekens’’ vanuit de sociale werkelijkheid kunnen begrijpen en interpreteren. Dialogische relaties zijn inherent aan elke vorm van taalgebruik.

Bachtin formuleert het zo:

‘’De linguïstiek bestudeert enkel de gemeenschappelijke logica van de taal als de factor die dialogische uitwisseling mogelijk maakt, maar weigert daarbij de dialogische relaties zelf te bestuderen. Deze dialogische relaties zijn niet herleidbaar tot logische of semantische relaties die op zichzelf losstaan van elk dialogisch aspect. Dialogische relaties zijn onmogelijk zonder logische en semantische relaties, maar ze kunnen niet tot deze herleid worden. Dialogische relaties hebben hun eigen specificiteit’.

Volgens Bachtin kunnen taalsysteem noch het individuele spreken afzonderlijk van elkaar bestudeerd worden. Men kan de concrete taaluiting niet begrijpen zonder naar een vastgelegd taalsysteem te verwijzen, maar de bestudering van het taalsysteem is evenzeer onmogelijk zonder het concrete taalgebruik te bestuderen. Het taalteken is een deel van een georganiseerde sociale interactie, van een dialoog. In feite pleit Bachtin voor een ‘’translinguïstische’’ taalstudie.

Sigmund Freud
Sigmund Freud

De theorie van Bachtin is niet alleen van eminente betekenis voor de taalwetenschap en het literatuuronderzoek, ook in de psychiatrie kent zijn filosofie van het dialogisme een grote weerklank. Bachtin bekritiseert Freud en de psychoanalytici door te stellen dat een gesprek tussen behandelende arts en patiënt een ontmoeting is tussen twee partijen van ongelijke status. De navolgeling van Bachtin, Volosinov, spreekt over het ‘’officiële’’ taalgebruik van de therapeut tegenover het ‘’niet-officiële’’ taalgebruik van de patiënt. Het onbewuste van de patiënt staat niet tegenover het bewuste van de arts, maar vooral tegenover zijn standpunten en eisen. Bovendien zal in veel gevallen de patiënt zich verzetten tegen de interpretatie van zijn problematiek door zijn therapeut. Er is geen echte vrije dialoog tussen hen.

Zoals we hebben gezien, benadrukt Bachtin sterk de sociale context waarin communicatie en dialoog plaatsvinden. Een taaluiting is nooit puur formeel en louter verbonden aan taalkundige regels en grammaticaregels. Het is de sociale context die de taaluiting betekenis geeft en een gesprekspartner, de ‘’ontvanger’’ van de taalboodschap, heeft die sociale achtergrond nodig om het te begrijpen.

Natuurlijk ontwaren we hierin een marxistische interpretatie van onze psyche, die zegt dat ook ons onderbewuste sociaal bepaald is een dus een materialistische basis heeft. Bachtin en zijn navolgelingen waren in dat opzicht kind van hun tijd en ook vaak gedwongen zich te houden aan ideologische richtlijnen. Niettemin heeft zijn theorie een blijvende en zeer waardevolle bijdrage geleverd aan ons begrip van taal en communicatie, en ook het denken over andere menswetenschappen op verrassende en verrijkende wijze gestimuleerd.

Vanuit het dialogisme van Bachtin zijn bijvoorbeeld therapieën ontwikkeld bij de hulpverlening aan psychotische patiënten. De psychoticus wordt weleens omschreven als een persoon die een ‘’ontregelde’’ relatie heeft met zijn innerlijk en verscheurd wordt door ‘’interne stemmen’’. De therapeut zou zich vanuit Bachtins theorie kunnen opstellen als een ‘’stem’’ die tracht de andere stemmen die de psychoticus teisteren, te kalmeren en te sturen. De psychoticus zal de stem van de therapeut erkennen als zijn gelijkwaardige en zijn ‘’advies’’ accepteren. Deze therapieën nemen de innerlijke dialoog, zoals Bachtin die beschreven heeft, als vertrekpunt voor hun aanpak.

In Finland is de ‘’Open-Dialoog-Benadering’’ ontwikkeld die uitgaat van een aantal uitgangspunten die Bachtin geformuleerd heeft en waarin dialoog en polyfonie een betekenisvolle rol spelen. De psychotische patiënt communiceert met alle betrokkenen bij zijn crisis en dit gebeurt zo veel mogelijk in een ‘’normale’’ omgeving, buiten de muren van de kliniek of het ziekenhuis. De therapeuten en hulpverleners stellen zich terughoudend op (vergelijkbaar met de positie van de auteur in de polyfone roman) en geven anderen de kans in dialoog met elkaar ideeën en oplossing aan te dragen.

Deze behandeling streeft ernaar de psychoticus de juiste woorden te laten vinden om de woorden van de anderen te vertalen naar zijn eigen situatie. Hij vertaalt dan de ‘’therapeutische’’ woorden naar zijn eigen sociale context, waardoor deze woorden ook daadwerkelijk betekenis krijgen en dus bijdragen aan zijn genezing. In de dialoog worden ‘’vreemde woorden’’ vertaald in ‘’onze eigen woorden’’, zegt Volosinov.

Michail Bachtin was een groot en vernieuwend denker met ideeën die tot op dag van vandaag de grenzen van zijn eigen discipline ver overschrijden en op vele terreinen grote invloed uitoefenen. Zijn filosofie verheugt zich zelfs in een nog altijd groeiende bijval. Het is treurig dat hij in levenden lijve niets van deze waardering heeft kunnen meemaken. Maar het misdadige bolsjewistische regime is het niet gelukt hem uit de geschiedenis te wissen. Gelukkig zal daarom deze grote geest ons nog lang inspireren.